Zeshonderd jaar geschiedenis, verteld door wie er waren
Een Audioshow in Zes Bedrijven
Zes stemmen vertellen het verhaal van de Waag.
Een monnik, een burgervrouw, een timmerman, een kaasvader, een beiaardier en een verteller.
Druk op ▶ bij elk bedrijf voor de voorstelling.
Alkmaar, omstreeks 1390
Het jaar des Heren dertienhonderd en negentig. De lucht is grijs boven Alkmaar.
Ik ben Broeder Willem, en ik breng mijn dagen door in het Heilige Geestgasthuis, aan de rand van onze stad. Hier verpleeg ik de zieken. Hier geef ik onderdak aan pelgrims, die moe en hongerig aankomen van de lange wegen. Drie dagen en drie nachten mogen ze blijven. Gratis, want barmhartigheid kent geen prijs.
Mensen brengen offergaven. Graan, brood, soms een kip. Wij koken voor de zieken. We wassen hun wonden. We bidden voor hun ziel. Het gasthuis is een plaats van rust in een onrustige tijd. De wereld buiten is hard. Maar binnen deze muren heerst Gods vrede.
Naast het gasthuis staat onze kapel. Klein, maar schoon. Het licht valt door gekleurd glas en schildert kleuren op de stenen vloer. Elke ochtend zingen we de lauden. Elke avond de vespers.
Twee eeuwen verstrijken. De wereld verandert.
In vijftienhonderd zesenzestig gaf de bisschop van Haarlem toestemming om ons gasthuis in te richten als waag. En in vijftienhonderd tweeëntachtig werd besloten de waag te verplaatsen naar onze kapel. De oostzijde werd afgebroken. De koorsluiting, waar het altaar stond, moest wijken voor een nieuwe gevel in renaissancestijl.
Maar soms, als de avond valt, zie ik de oude contouren in het straatwerk naast de gevel. Dan weet ik: hier stond ooit het altaar. Hier knielden de gelovigen. Hier begon het verhaal van de Waag.
Alkmaar, augustus tot oktober 1573
Juli 1573. Geuzen staan voor de Friese Poort.
Het jaar duizend vijfhonderd drieënzeventig. Ik ben Geertruid. De Spanjaarden zijn in aantocht. Don Frederik, de zoon van de Hertog van Alva, trekt op naar onze stad met duizenden soldaten. Sommige mensen willen de geuzen binnenlaten. Anderen willen de poorten sluiten. Op zestien juli worden de geuzen binnengelaten. We hadden kant gekozen.
Eenentwintig augustus. De omsingeling.
Op eenentwintig augustus waren ze er. Overal. Hun tenten stonden in Oudorp, Huiswaard, Sint Pancras, Koedijk en Bergen. Zo ver ik kon kijken zag ik hen. Duizenden. Pieken en helmen en vaandels in de zon.
De volgende dag de eerste aanval bij de Runmolens. Hun aanvoerder Medinilla werd dodelijk getroffen. Op achttien september de grote aanval op de Friese Poort, ons zwakste punt. We hadden honger. De voorraden slonken. Het buskruit raakte op. De kinderen huilden 's nachts. Maar we hielden stand.
Willem van Oranje geeft bevel: doorstek de dijken.
En toen het water. De dijken werden doorstoken. Het land liep onder water. Het Spaanse leger zat vast in de modder. Op acht oktober bliezen ze de aftocht. De opluchting. De uitbundigheid. Mensen dansten op de muren. De klokken werden geluid. Alkmaar had standgehouden. De eerste stad in Holland die de Spanjaard afsloeg.
Alkmaar, september 1573 — midden in het beleg
September 1573. De stad is omsingeld.
Ik ben Maarten, timmerman van dit stad. Ik sta op de wallen en ik kijk naar het Spaanse kamp. Vuren, zover als het oog reikt. Ze wachten tot wij verhongeren.
Er moet een brief naar de Prins van Oranje. Maar Don Frederik heeft gezworen: niets gaat door zijn linies. Alleen gevogelte. Maar ik lach niet. Ik denk na.
Ik neem mijn polsstok. Ik hol hem uit met een guts. Een holte, net breed genoeg voor een briefje. Ik wikkel het in lood, schuif het in de stok, sluit af met een houten pin. Onzichtbaar. Een gewone wandelstok.
Ik ga. Door de modder, langs de wachtposten. Eén kreet en het is gedaan. Maar het blijft stil. Ik glip door. Naar de Prins. De brief wordt aangenomen. De hulp komt met water. De Spanjaard vlucht. Ik was visch noch vogel. En toch kwam ik door.
Het Waagplein, 17e tot 21e eeuw
Het Waagplein. De geur van kaas hangt in de lucht.
Noem me Jan. Ik ben de Kaasvader. Op zeventien juni vijftienhonderd drieënnegentig werd ons gilde opgericht. Al meer dan vierhonderd jaar doen wij ons werk op dezelfde manier.
We hebben vier vemen. Elke veem heeft een voorman, de oudste man. De tasman staat bij de weegschaal. De zetters beladen de berries. De ingooiers laden de karren. De bottelier zorgt voor drankjes. De provoost int de boetes. De knecht hangt de bel op. En de noodhulp? Twee jaar starten voordat je mag toetreden en je bijnaam krijgt.
In de zeventiende eeuw bepaalden de kaasverkopers hoe de stad eruitzag. Huizen werden gesloopt op ons verzoek. Het plein moest groeien. De kaas was koning. Vier markten per week, vaak tot één uur 's nachts.
Vandaag. Vrijdagochtend, tien uur.
Nu, in 2026, honderdzeventigduizend bezoekers per jaar. Duitsers, Britten, Amerikanen, Japanners. De bel luidt om tien uur. Het handjeklap sluit de koop. En wij dragen de kaas, zoals we al vierhonderd jaar doen. In 1365 had Alkmaar al een kaasweegschaal. Bijna zeven eeuwen kaasmarkt. Dat is geen handel. Dat is een roeping.
De Waagtoren, 1671 tot heden
Boven in de toren. Het uitzicht over Alkmaar is weids.
Ik ben Christiaan, stadsbeiaardier. Elke dag klim ik de trappen op. Vijftig meter. Boven wachten mijn klokken. Zevenenveertig in totaal. En het is een drama dat drie eeuwen duurde.
In 1671 wilde Alkmaar Hemony-klokken. De beroemdste klokkengieters van Europa. Pieter Hemony kwam, keek, en zei: haal de spijren eruit. Alkmaar weigerde. Hemony vertrok. Geen Hemony-carillon.
In 1685 probeerden we Claude Fremy. Hij goot vijfendertig klokken. We keurden ze. Abominabel. Verre van zuiver. Afgekeurd. Fremy's klokken belandden in een klooster in Praag. Een andere hangt nog in Westwoud.
Pas in 1688 redde Melchior de Haze het. Vijfendertig klokken in middentoonstemming. Op zesentwintig oktober, drie uur 's middags, speelde Gerard van der With het spel in. Het klonk over het Waagplein.
Nu hebben we negen historische De Haze klokken uit 1688 en achtendertig nieuwe Eijsbouts klokken uit 1967. Het speelt vierentwintig uur per dag. Ook 's nachts. Uniek gestemd in middentoonstemming. Een klinkend museumstuk.
8 oktober, 1573 tot heden
8 oktober. De klokken luiden. De stad viert.
Elk jaar op acht oktober viert Alkmaar zijn Ontzet. Vierhonderdvijftig jaar onafgebroken traditie. Wat begon als kerkdienst groeide uit tot volksfeest. De Grote Middagoptocht trekt door de straten met praalwagens. Op de Paardenmarkt wordt zuurkool met worst gegeten. Kinderen spelen de gebeurtenissen van 1573 na in het Victoriepark. Er zijn lampionnen, er is muziek, er is een Ontzetrede. Sinds 2016 staat het feest op de Nationale Inventaris Immaterieel Erfgoed.
En de Waag? De Waag staat er nog. Rijksmonument sinds 1969. Het Hollands Kaasmuseum is er gevestigd sinds 1983. De VVV zit er. Wie de steile trappen beklimt, krijgt een verhaal van de beiaardier zelf. De toren speelt nog steeds, elk kwartier, dag en nacht. Het ruiterspel herinnert aan de overwinning. De trompetter blaast. Het carillon klinkt.
En boven de gevel, in gouden letters, staat de spreuk die alles zegt: SPQA. Senatus PopulusQue Alcmariensis. De senaat en het volk van Alkmaar. Moed en kracht schonken hun het verloren waagrecht weer.
Zeshonderd jaar. Eén gebouw. Eén plein. Eén verhaal dat nog steeds wordt verteld. En zolang de klokken klinkken, zal het niet vergeten worden.