Zeshonderd jaar geschiedenis op één plein
Een Historische Audioshow · 2026
Welkom bij de geschiedenis van een gebouw dat zes eeuwen overleefde —
als gasthuis, als burcht tegen de Spanjaarden, als hart van de kaashandel,
en als symbool van een stad die weigerde te vallen.
Druk op ▶ bij elk hoofdstuk om te luisteren, of gebruik de speler bovenaan voor het volledige verhaal.
Het gebouw dat wij nu De Waag noemen, begon zijn bestaan in de veertiende eeuw als een plaats van barmhartigheid. Rond het jaar 1390 verrees hier het Heilige Geestgasthuis met kapel — een ziekenhuis voor arme mensen, een onderkomen voor pelgrims op doorreis. Wie ziek en berooid was, kon hier drie dagen en nachten gratis verblijven. Monniken en nonnen verpleegden de zieken met wat de middeleeuwse geneeskunst te bieden had.
Het was een tijd waarin Alkmaar groeide als handelsnederzetting aan de voet van de duinen. De stad was nog jong, omringd door water en moerassen, bereikbaar over slecht begaanbare wegen. Het gasthuis stond aan de rand van de bewoonde wereld — een laatste halte voor reizigers, een eerste toevlucht voor zieken.
In 1566 gaf de bisschop van Haarlem toestemming om het Heilige Geestgasthuis in te richten tot waaggebouw. De stad had een officiële weegschaal nodig voor de groeiende handel. In 1582 werd besloten de waag onder te brengen in de grotere Heilige Geestkapel, die inmiddels haar godsdienstige functie had verloren. De verbouwing werd in 1583 voltooid. De oostzijde — de koorsluiting van de oude kapel — werd afgebroken en vervangen door een rijk versierde gevel in renaissancestijl.
Het jaar 1573. De Nederlandse Opstand tegen de Spaanse overheersing woedt. Alkmaar is een kleine stad met muren die niet berekend zijn op een groot leger. Binnen de muren heerst onenigheid: protestanten willen aansluiting bij de Opstand van Willem van Oranje, katholieken kiezen voor de Spaanse landsheer Filips de Tweede.
Op zestien juli 1573 worden de geuzen binnengelaten. Met machtsvertoon of vrijwillig — dat blijft tot op de dag van vandaag onduidelijk. Wat wel duidelijk is: de stad kiest kant.
Op eenentwintig augustus 1573 omsingelen Spaanse troepen onder leiding van Don Frederik — de zoon van de beruchte Hertog van Alva — de stad. Ze slaan hun tenten op in Oudorp, Huiswaard, Sint Pancras, Koedijk en Bergen. Het beleg is begonnen.
De volgende dag, tweeëntwintig augustus, vindt de eerste aanval plaats bij de Runmolens aan het Zeglis. De Spaanse aanvoerder Ignatio de Medinilla wordt dodelijk gewond. Een klein succes voor Alkmaar, maar het beleg is nog lang niet voorbij.
Op achttien september volgt de grote Spaanse aanval op de Friese Poort, het zwakste punt van de verdediging. De stad leed honger. De voorraden slonken. Munitie raakte op. Buskruit was bijna uitgeput. Maar Alkmaar hield stand.
Willem van Oranje en zijn plaatsvervanger Diederik Sonoy namen een drastisch besluit: de dijken rond Alkmaar moesten worden doorstoken. Het land liep onder water. Het Spaanse leger — vast in modder en plassen — moest het beleg opgeven.
Op acht oktober 1573 bliezen de Spanjaarden de aftocht. Het Alkmaars Ontzet was een feit. Alkmaar was de eerste stad in Holland die een Spaanse aanval succesvol afsloeg. De overwinning werd een symbool voor de hele Opstand.
"In Alkmaar begint de victorie!" — de kreet die voortaan door de eeuwen zou echoën.
Tijdens het beleg zat Alkmaar in de val. Omsingeld, verhongerd, zonder hoop op hulp van buitenaf. Don Frederik, de zoon van Alva, had gezworen dat er niets de stad in of uit kon. Niemand, behalve gevogelte. Hij zei letterlijk dat er "niets buiten de stad kon, dan pluimgedierte."
Maar stadstimmerman Maarten Pietersz van der Meij dacht daar anders over. Hij bood aan om door de Spaanse linies te glippen en een brief met een hulpverzoek aan Willem van Oranje te bezorgen. Het was een zelfmoordmissie — ontdekking betekende de dood.
Van der Meij holde zijn polsstok uit — een gewone stok om over slootjes te springen. In de holle ruimte verborg hij de opgerolde briefjes, gewikkeld in een stukje lood ter bescherming tegen vocht. Hij sloot de stok af met een houten pin, onzichtbaar voor het blote oog. Voor de Spanjaarden was het gewoon een wandelstok.
De geschiedschrijver Pieter Bor schreef in 1697: de briefjes werden "gesloten in sijn pols of stok daer een gat in geboort werd en wederom met een houten nagel toemaekt, sulx dat het eenen gehelen stok scheen te wesen."
Van der Meij slaagde. Hij gleed door de linies, bezorgde de brief, en keerde terug. Toen Don Frederik hoorde van de clandestiene boodschap, moet hij hebben beseft dat hij met een stad te maken had die zich niet zomaar overgaf. Van der Meij was "visch noch vogel, en toch kwam hij door!"
Op dertien juli 1581 — acht jaar na het Ontzet — geschiedde er iets bijzonders. De Prins van Oranje gaf de burgerij van Alkmaar de Waag in volle eigendom terug. Het was een beloning voor het dappere verweer tegen de Spanjaarden. Een koninklijk geschenk, gedragen door dankbaarheid en respect.
Het waagrecht gaf de stad het recht om weeggeld te heffen over alle handelswaar die van buiten de stad kwam. Elke boer, elke koopman die zijn waar kwam wegen, betaalde een kleine bijdrage aan de stad. Het was een bron van inkomsten die Alkmaar eeuwenlang zou voeden.
Op de oostelijke voorgevel van de Waag staat in gouden letters een Latijnse spreuk:
"SPQA — Senatus PopulusQue Alcmariensis — Restitvit Virtvs Ablatae Jvra Bilancis"
Vertaling: "Moed en kracht schonken regering en burgerij van Alkmaar het verloren waagrecht weer." Het is een variant op het Romeinse SPQR — Senatus PopulusQue Romanus — maar dan voor Alkmaar. Alsof de stad zichzelf plaatste in de traditie van de grote republieken der geschiedenis.
Toen de waag in 1582 zijn deuren opende, was er eigenlijk geen plein. De huizen stonden pal tegen het gebouw aan. Bij de verbouwing werden twee huizen aan de noordkant gesloopt en ontstond er een klein pleintje dat de Zuyvelmarkt werd genoemd — de zuivelmarkt.
Maar de kaashandel groeide explosief. En wat volgde was uniek in de Nederlandse geschiedenis: de kaasverkopers bepaalden de stadsontwikkeling.
In de zeventiende eeuw werd het slopen van huizen rondom de Waag veelal gedaan op verzoek van de kaasverkopers. Het stadsbestuur had daar geen problemen mee — de kaashandel was dé economische motor van de stad. Bewoners konden zomaar een verzoek tot verhuizing verwachten als het plein weer eens moest groeien.
De kaasverkopers bepaalden de handel en wandel rondom het waaggebouw. Het was een unieke vorm van gildenmacht die nergens anders in Nederland haar gelijke kende. Kaas was koning.
Wat veel mensen niet weten: het Waagplein werd deels gebouwd op de plek van de Moordenaarssteeg — tegenwoordig deel van de Marktstraat. Het steegje was vernoemd naar een geval van doodslag. Een notarieel archief uit 1684 noemt het al bij deze naam. Wanneer de moord precies plaatsvond is onbekend — de naam is ouder dan de documentatie.
Wat er allemaal verdween: tabakswinkel De 2 Morianen, kruidenierswinkel Het Klaverblad, herberg Het Boeren Welvaren, bakkerij Rad van Avontuur, kaaspakhuis Het Botje, herberg Het Klompje Gouds. Alle gesloopt tussen 1876 en 1910. Buurten die eeuwenlang hadden bestaan, verdwenen in decennia — allemaal voor de kaas.
Tussen 1597 en 1603 werd de oorspronkelijke dakruiter vervangen door de huidige Waagtoren. In het houtwerk zijn de jaartallen 1601 — in de uurwerkkamer — en 1602 uitgehouwen. De toren werd ongeveer vijftig meter hoog en was eeuwenlang het hoogste punt van de stad, een herkenningspunt in het vlakke Hollandse landschap dat je van mijlenver kon zien staan.
De toren was niet alleen een baken voor reizigers. Hij was ook een machine. Binnen zijn muren huisvestde hij een uurwerk, een speeltrommel, een carillon, een ruiterspel en een trompetter. Elke dag, elke nacht, elk kwartier produceerde de toren geluid — een ritme dat het leven op het plein bepaalde.
Op zeventien juni 1593 werd het Alkmaarse Kaasdragersgilde opgericht. Het is een van de oudste nog functionerende gilden van Nederland — al meer dan vierhonderd jaar doen de kaasdragers op traditionele wijze hun werk. Het gilde bestaat uit vier vemen, groepen van mannen die in teamverband werken.
| Functie | Rol |
|---|---|
| Kaasvader | Hoofd van alle vier de vemen |
| Voorman | Hoofd van een veem, de oudste man |
| Tasman | Staat bij de weegschaal, de langstzittende |
| Vastman | Ervaren kaasdrager in een veem |
| Zetters | Plaatsen kazen op de markt, beladen berries |
| Ingooiers | Laden gewogen kazen in handkarren |
| Bottelier | Verantwoordelijk voor de drankjes |
| Provoost | Int de boetes |
| Knecht | Hulpje, houdt de stoep schoon, hangt de bel op |
| Noodhulp | Startfunctie — twee jaar voordat je toetreedt |
Na twee jaar noodhulp mag een kaasdrager officieel toetreden tot het gilde en krijgt hij zijn bijnaam — een eretitel die vaak voor het leven meegaat. Het gilde zoekt nieuwe noodhulpen via hun Facebookpagina. Zelfs een eeuwenoud gilde past zich aan.
Uit historische stukken blijkt dat Alkmaar in 1365 al een kaasweegschaal had. Dat is bijna zevenhonderd jaar geleden. Zeven eeuwen kaasmarkt op dezelfde plek — een ononderbroken traditie die zeldzaam is in de wereld.
In de achttiende en negentiende eeuw waren er maar liefst vier kaasmarkten per week. Ze begonnen in de ochtend en duurden vaak tot één uur 's nachts. Het Waagplein werd te klein — steeds weer moesten er huizen wijken. Kaas was letterlijk zwaar werk: sterke mannen waren nodig om de zware kazen aan en af te voeren, op hun schouders, op berries, in handkarren.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog vond er tijdelijk geen kaasmarkt plaats. Kaas was nog op de bon. Na de oorlog, toen de markt weer opende, konden bezoekers hun ogen niet geloven bij zoveel kaas bij elkaar — na jaren van schaarste was het een overvloed die bijna surreëel aandeed.
In 2026 loopt de kaasmarkt van zevenentwintig maart tot vijfentwintig september. Elke vrijdagochtend van tien uur tot kwart voor een. In juli en augustus ook op dinsdagavond van zeven tot negen uur. Jaarlijks bezoeken honderdzeventigduizend mensen de markt. De bel luidt om tien uur als startsein. De definitieve koop wordt gesloten met een traditioneel handjeklap — een ritueel dat eeuwen oud is. Het publiek komt uit Duitsland, Engeland, de Verenigde Staten en Japan.
Het verhaal van het carillon van de Waagtoren is een drama dat zijn weerga niet kent. Drie meesters, drie pogingen, en uiteindelijk een compromis dat vier eeuwen heeft standgehouden.
Alkmaar wilde zuiver gestemde Hemony-klokken. De gebroeders Hemony waren de beroemdste klokkengieters van Europa — hun klokken waren beroemd om hun zuivere toon. Pieter Hemony werd in 1671 naar Alkmaar ontboden. Maar hij stelde een voorwaarde: de spijren in de toren moesten verwijderd worden. Alkmaar weigerde. Geen Hemony-carillon voor Alkmaar.
Vijftien jaar later probeerde Alkmaar het opnieuw, ditmaal bij Claude Fremy, de opvolger van Hemony. Fremy goot vijfendertig klokken in Amsterdam. Bij de keuring bleken ze verre van zuiver — ze werden afgekeurd. Fremy bood aan de klokken op eigen kosten te installeren om de zuiverheid te bewijzen, maar dat kwam er niet van. Fremy moest de bronswaarde terugbetalen.
Op advies van deskundigen werd de Antwerpse gieter Melchior de Haze benaderd. De Haze had het klokkengieten waarschijnlijk bij Pieter Hemony geleerd. Hij goot een klokkenspel van vijfendertig klokken in middentoonstemming — een zeldzame stemming die destijds al ouderwets was maar die het carillon zijn unieke warme klank gaf.
De klokken werden in Antwerpen gekeurd door een commissie van deskundigen en goedgekeurd. Op zesentwintig oktober 1688, om drie uur 's middags, speelde Gerard van der With het carillon in. Het instrument klonk voor het eerst over het Waagplein.
Het carillon telt nu zevenenveertig klokken: negen historische De Haze klokken uit 1688 en achtendertig nieuwe Eijsbouts klokken uit 1967. Het speelt het hele etmaal door, elk kwartier. Ook 's nachts. De beiaardier is Christiaan Winter. Het carillon is uniek gestemd in de zeldzame middentoonstemming — een klinkend museumstuk uit de zeventiende eeuw.
Op de luidklokkenzolder van de toren hangt de poortklok van Henrick Wegewaert uit Kampen, gegoten in 1616, met een diameter van 124 centimeter. De oorspronkelijke functie was een sein: de klok kondigde aan dat de stadspoorten 's avonds gingen sluiten en 's ochtends weer opengingen. Elke avond klonk deze klok om de burgers te waarschuwen: naar binnen, de poorten gaan dicht. Wie te laat was, sliep buiten de muren — op eigen risico.
In de toren bevindt zich een automatisch ruiterspel: ruiters te paard voeren tijdens het hele uur een steekspel uit. Het herinnert dagelijks aan de overwinning op de Spanjaarden. Een houten trompettist blaast meerdere keren per dag op zijn trompet. Na de heel uurslag speelt hij een melodie — maar dit wordt in werkelijkheid gespeeld door een klein orgeltje achter de ruitertjes, gedirigeerd vanuit het uurwerk. De pijpjes moeten regelmatig worden gestemd door de stadsbeiaardier.
Nog elke dag wordt vanuit de Waag de overwinning op de Spanjaarden gejubeld. Vierhonderdvijftig jaar na het Ontzet klinkt nog steeds de triomf.
Elk jaar op acht oktober viert Alkmaar zijn Ontzet. Het is het belangrijkste feest van de stad — vierhonderdvijftig jaar onafgebroken traditie. Wat begon als een kerkdienst en een dankgebed, groeide uit tot een volksfeest dat de hele stad opeist.
In de zeventiende en achttiende eeuw stond het feest in het teken van kerkdiensten en preken. In de negentiende eeuw kreeg het een uitbundiger karakter met volksspelen, een feestrede en een feestavond. In 1861 werd de Vereeniging ter Viering opgericht. Vandaag de dag voert de 8 October Vereeniging de regie.
De dag begon traditioneel met de lampionnenoptocht op zeven oktober door de binnenstad. Op acht oktober zelf trekt de Grote Middagoptocht met praalwagens door de straten — historische taferelen uitgebeeld door vrijwilligers en scholieren. Na afloop treft men elkaar op de Paardenmarkt voor een dampend bord zuurkool met worst. Er is een kinderoptocht, er is een Kidsplein. In het Victoriepark leggen basisschoolkinderen kransen en spelen ze de gebeurtenissen van 1573 na. Ze dragen eigen gedichten voor over vrijheid. In de Grote Kerk wordt de Ontzetrede uitgesproken. 's Avonds is er het Ontzetfestival met optredens en muziek.
Wat is de Waag nu? Allereerst een rijksmonument — sinds 1969, monumentnummer 7446. Eigenaar is de Gemeente Alkmaar. Het adres is Waagplein 2. De architectuur is deels renaissance, met een gotische kern die nog uit de veertiende eeuw stamt.
Sinds 1983 is het Hollands Kaasmuseum gevestigd op de eerste en tweede verdieping van de Waag. De collectie omvat historische kaaspersen en gebruiksvoorwerpen, en vertelt het verhaal van kaas: van koe tot kaas. Bezoekers kunnen de prachtige houten dakconstructie en bakstenen bogen bewonderen — een overblijfsel uit de tijd dat het gebouw een kapel was.
De VVV, het toeristeninformatiekantoor, is sinds het begin van de jaren tachtig definitief in het waaggebouw gevestigd. En wie de moed heeft om de steile trappen te beklimmen, wordt beloond met een rondleiding door de toren. De stadsbeiaardier en de stadsuurwerkmaker vertellen over de historie en de werking van uurwerk, speeltrommel, ruiterspel, klaroenblazer en carillon. Boven wacht een geweldig uitzicht over de stad.
Een verzameling van feiten die de meeste mensen niet weten over De Waag in Alkmaar:
Eerste. Het Waagplein werd deels gebouwd op een steegje dat vernoemd was naar een moord — de Moordenaarssteeg, voor het eerst genoemd in 1684.
Tweede. Afgekeurde klokken voor Alkmaar hangen nog steeds in een klooster in Praag. Claude Fremy's mislukte klokken kregen een tweede leven in Tsjechië.
Derde. Een andere Fremy-klok hangt als luidklok in de Nederlands Hervormde Kerk van Westwoud — vier eeuwen oud en nog steeds in gebruik.
Vierde. De contouren van het oude altaar van de kapel zijn nog zichtbaar in het straatwerk naast de gevel. Je staat op heilige grond.
Vijfde. De spreuk SPQA op de gevel is een variant op het Romeinse SPQR — Alkmaar plaatste zichzelf bewust in de traditie van de Romeinse Republiek.
Zesde. De poortklok uit 1616 hangt nog steeds in de toren. Meer dan vierhonderd jaar oud.
Zevende. Alkmaar kreeg géén Hemony-carillon omdat de stad weigerde torenspijren te verwijderen. Stadszijde trok aan het langste eind.
Achtste. Het carillon is gestemd in middentoonstemming — een zeldzame historische stemming die nergens anders meer voorkomt in Nederland.
Negende. Het carillon speelt letterlijk vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week. Ook 's nachts klinken er klokken.
Tiende. In de achttiende en negentiende eeuw waren er vier kaasmarkten per week, die vaak duurden tot één uur 's nachts. Het plein stond permanent vol met kaas.