PhoenixMetals MKB 1 Bedrijfshulpverlening 1.1 Bedrijfshulpverleners 1.1.1 Er zijn voldoende bedrijfshulpverleners aanwezig. Dit risico is nog niet beoordeeld. Het aantal bedrijfshulpverleners (BHV-ers) is afgestemd op de mogelijke brand- en ongevalsrisico’s in het bedrijf, de aard van het gebouw (wel of geen verdiepingen bijv.) en het aantal aanwezigen (werknemers en bezoekers/cliënten/patiënten/gasten). Een aantal risico’s kan overal voorkomen: bedrijfsongevallen (zoals vallen, struikelen, uitglijden, contact met machines, contact met vallende of instortende objecten, aanrijding door een voertuig, ongeval op of in een bewegend voertuig), branden en ‘externe dreigingen’ (zoals een gaslekkage, explosie of brand bij de buren). BHV-ers moeten de wettelijke taken naar behoren vervullen. Het aantal BHV-ers dat in een bedrijf aanwezig moet zijn, is niet in wetgeving vastgelegd. Daarom hier enkele richtlijnen voor het aantal bedrijfshulpverleners: de oude stelregel ‘1BHV-er-op-50 werknemers’ (deze stelregel was voorheen opgenomen in de wetgeving; deze is in 2007 vervallen!); er kan altijd binnen 3 minuten hulp ter plaatse zijn. Zorg dat er voldoende BHV-ers in het bedrijf aanwezig zijn indien er gewerkt wordt in ploegendiensten en inroostering en houdt rekening met verlof en/of verzuim. Dit betekent in de praktijk dat er meerdere BHV-ers zijn opgeleid. De afzonderlijke BHV-taken mogen verdeeld worden over meerdere medewerkers. U mag bij BHV samenwerken met bedrijven in de directe omgeving. Dat kan handig zijn voor kleine bedrijven. De samenwerkingsafspraken moeten wel schriftelijk zijn vastgelegd. Voor meer informatie raadpleeg: de MKB Servicedesk het Arboportaal, een  site  van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Wet- en regelgeving Arbowet art. 15. 1.1.2 De bedrijfshulpverleners kunnen de wettelijke bhv-taken uitvoeren. Dit risico is nog niet beoordeeld. Bedrijfshulpverleners moeten: eerste hulp bij ongevallen (e.h.b.o.) kunnen verlenen; een beginnende brand kunnen bestrijden; een ontruiming van het gebouw kunnen begeleiden; hulpverleners kunnen alarmeren. Wet- en regelgeving Arbowet art. 15, lid 2. 1.1.3 De bedrijfshulpverleners hebben een adequate opleiding gevolgd. Dit risico is nog niet beoordeeld. De Arbowet schrijft niet precies voor welke opleiding de BHV’ers moeten volgen. De werkgever moet wel zorgen dat de BHV-taken naar behoren kunnen worden uitgevoerd. Bedrijfshulpverleners moeten: eerste hulp bij ongevallen (e.h.b.o.) kunnen verlenen; een beginnende brand kunnen bestrijden; een ontruiming van het gebouw kunnen begeleiden; hulpverleners kunnen alarmeren. Een EHBO-diploma is niet verplicht. Het is natuurlijk raadzaam om een opleiding hiervoor te volgen, om de taken goed uit te kunnen voeren. Er worden diverse BHV-opleidingen aangeboden. De eisen aan een BHV’er zijn afhankelijk van de risico's in het bedrijf. Het is duidelijk dat een kantooromgeving andere risico’s kent dan een houtzagerij, daar zal de juiste BHV opleiding op gekozen moeten worden. Kleine bedrijven met specifieke risico’s zouden kunnen volstaan met een basisopleiding. Deze bestaat uit Eerste Hulp, reanimatie + AED (automatische externe defibrillator, is een draagbaar toestel dat wordt gebruikt voor het reanimeren van een persoon met een circulatiestilstand), brandbestrijding en ontruiming. Voor andere bedrijven met specifieke risico’s bestaan basisopleidingen BHV die bestaan uit Eerste Hulp, reanimatie + AED (automatische externe defibrillator, is een draagbaar toestel dat wordt gebruikt voor het reanimeren van een persoon met een circulatiestilstand), brandbestrijding  en ontruiming. Daarnaast bestaan er aanvullende opleidingen afhankelijk van de specifieke risico’s in het bedrijf, zoals BHV Adembescherming, BHV Bronbestrijding, BHV Eerste Hulp gevaarlijke stoffen, BHV Procedure gevaarlijke stoffen, Beheerder Brandmeldinstallatie, Ploegleider BHV, Ploegleider BHV Beheer, Coördinator/Hoofd BHV. Het is raadzaam om de bedrijfshulpverleners eens per twee jaar ten minste acht uur deel te laten nemen aan herhalingscursussen, oefeningen of andere activiteiten zodat hun kennis en vaardigheden op het vereiste niveau gehandhaafd blijven.Voor meer informatie over opleidingen raadpleeg de MKB Servicedesk. Wet- en regelgeving Arbowet  art. 15, lid 3. 1.2 BHV-organisatie 1.2.1 De taken van de BHV-ers zijn schriftelijk vastgelegd. Dit risico is nog niet beoordeeld. De taken van de bedrijfshulpverleners worden omschreven en er wordt bepaald aan welke eisen de bedrijfshulpverleners moeten voldoen. Voor meer informatie raadpleeg: de MKB Servicedesk. het Arboportaal, een site van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Wet- en regelgeving Arbowet art. 3, lid 3; art 15. 1.2.2 Er is een BHV-plan gemaakt. Dit risico is nog niet beoordeeld. Maak een BHV-plan en leg dit binnen handbereik voor hulpverleners. Het BHV-plan geeft onder andere informatie over: alarmprocedures en alarmnummers; de afspraken bij verschillende incidenten; de taakverdeling en verantwoordelijkheden van de BHV-ers; de dienstroosters van de BHV-ers; plattegronden van het bedrijf (hierop staat aangegeven: blusmiddelen, vluchtwegen, verzamelplaatsen en nooduitgangen); de afspraken over de opvang van externe hulpverleners (brandweer, politie, ziekenauto); eventuele plattegronden voor de brandweer met extra informatie over belangrijke leidingen, brandventilatieschakelingen, hoofdschakelaars, etc.; eventuele afspraken over contact met familie en pers.Een voorbeeld BHV-plan kunt u downloaden van de  MKB Servicedesk. Wet- en regelgeving Arbowet art. 3, lid 1, onder e; art. 15. 1.2.3 De bedrijfshulpverlening beschikt over passende uitrusting en middelen. Dit risico is nog niet beoordeeld. Naast blusmiddelen en e.h.b.o.-middelen kunnen er afhankelijk van de situatie aanvullende middelen nodig zijn. Denk daarbij aan een middel om zich herkenbaar te maken als BHV’er: band om de arm of een vestje, alarmering- en communicatie-middelen. Bepaal op grond van de eventuele specifieke risico’s over welke uitrusting en middelen de BHV moet beschikken. Voor meer informatie raadpleeg: de MKB Servicedesk. het Arboportaal, een site van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Wet- en regelgeving Arbowet art. 15. lid 3. 1.3 Oefening 1.3.1 Voor specifieke risico’s (bijvoorbeeld werken op hoogte, of in besloten ruimtes of met gevaarlijke stoffen) heeft de BHV-er aanvullende opleiding gevolgd. Dit risico is nog niet beoordeeld. Als er specifieke risico’s gelden in het bedrijf, dient de BHV-er een aanvullende opleiding, oefening en training te volgen. Denk bij specifieke risico’s bijvoorbeeld aan het werken op hoogte, werken in kruipruimtes en besloten ruimtes en het werken met gevaarlijke stoffen. In dat geval dient de BHV voorbereid te zijn op vallen van hoogte en letsel bij ongevallen met gevaarlijke stoffen. Wet- en regelgeving Arbowet art. 15. 1.3.2 Alle werknemers zijn op de hoogte van hun taak en rol tijdens calamiteiten. Dit risico is nog niet beoordeeld maar aangezien het een top-5 risico is, is het hier wel opgenomen. Ga terug naar inventarisatie en vul ja, nee of n.v.t. in bij dit risico. Alle werknemers dienen kennis te nemen van het bedrijfsnoodplan en bij calamiteiten de instructies van bedrijfshulpverleners op te volgen. Oefening in de uitvoering van de instructies bij calamiteiten zoals rand, ontruiming en ongevallen verbetert de uitvoering. Wet- en regelgeving Arbowet art. 8. 2 Inrichting werkplaatsen/werkplekken 2.1 Algemene aspecten gebouw/werkplekken 2.1.1 Het interieur van het gebouw wordt goed schoongemaakt. Dit risico is nog niet beoordeeld. Zorg voor een goed schoonmaakplan. Ruimten waarin regelmatig gewerkt wordt, moeten schoon en zoveel mogelijk stofvrij zijn (gezondheidsrisico). Blootstelling aan bijvoorbeeld houtstof of ander slijpsel is een risico voor de gezondheid. Het is beter om die soort stoffen op te zuigen met een geschikte industriële stofzuiger of op te vegen dan met hoge druk weg te blazen. Wet- en regelgeving Arbobesluit art. 3.2, lid 1; art. 3.11, lid 2. 2.1.2 Alle ruimten zijn overzichtelijk en opgeruimd. Dit risico is nog niet beoordeeld. Rij- en looppaden moeten vrij zijn van obstakels. Dit voorkomt struikelen (veiligheidsrisico). Het consequent en direct na gebruik opruimen van hulpmiddelen voorkomt langdurig zoeken en geeft overzicht. Wet- en regelgeving Arbobesluit art. 3.6 en 3.7. 2.1.3 De elektrische installatie van het bedrijf wordt tenminste 1x per 5 jaar gekeurd. Dit risico is nog niet beoordeeld. Om slijtage of beschadiging op te sporen en een goede werking van alle beveiligingen te waarborgen is het zaak dat van tijd tot tijd een deskundig iemand de elektrische installatie beoordeelt. Om te voorkomen dat bij wijzigingen onduidelijkheden gaan ontstaan over het wel of niet onder stroom staan van bepaalde delen van de installatie, is het cruciaal dat alle aanpassingen goed bijgehouden worden op de installatietekeningen.  Voor verdere invulling hiervan zie de normen NEN 3140 en NEN 1010. 2.1.4 De arbeidsmiddelen in het bedrijf, zoals machines, zijn rechtstreeks aangesloten op een geaard stopcontact (geen verlengsnoeren) waarbij tenminste 1x per kwartaal de aardlekschakelaar wordt getest. Dit risico is nog niet beoordeeld. Het gebruik van verlengsnoeren kan extra risico’s veroorzaken en moet dus afgeraden worden (overbelasting, verslechterde beschermingsgraad). Geaarde installatie biedt bescherming mits deze ook goed functioneert. Houd als principe aan dat alle arbeidsmiddelen rechtstreeks op een stopcontact worden aangesloten en overleg met de bevoegde persoon als er een wens is om daarvan af te wijken. Test regelmatig alle veiligheidsvoorzieningen zoals aardlekschakelaars, noodstoppen, machinebeveiligingen, afzuiginstallaties, e.d.  Voor verdere invulling hiervan zie de normen NEN 3140 en NEN 1010. Wet- en regelgeving Arbobesluit art. 3.4. en 3.5. 2.1.5 Medewerkers die werken met elektrische installaties zijn schriftelijk aangewezen door de werkgever Dit risico is nog niet beoordeeld. De meeste ongevallen door elektriciteit zijn te wijten aan onveilig werken. Medewerkers die aan elektrische installaties werken moeten voldoende deskundig zijn en bevoegd door hun werkgever. In NEN-EN 50110 en NEN 3140 zijn de volgende bevoegdheden aangegeven: installatieverantwoordelijke is verantwoordelijk voor de installatie (installatierisico); werkverantwoordelijke is verantwoordelijk voor werkzaamheden aan de installatie (werkrisico); vakbekwaam persoon: Elektrotechnisch deskundig persoon; voldoende onderricht persoon: Geïnstrueerde leek met uitvoerende bevoegdheid (VOP)Verantwoordelijkheden en bevoegdheden. In normblad NEN-EN 50110/NEN3140 dat gericht is op laagspannings- installaties, zijn bepalingen opgenomen met betrekking tot opleiding, ervaring, verantwoordelijkheden en bevoegdheden. Opleidingseisen en ervaringseisen worden gesteld aan: installatieverantwoordelijke (verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering van een elektrische installatie); werkverantwoordelijke (verantwoordelijk voor de leiding over de werkzaamheden aan een elektrische installatie); ploegleider (vakbekwaam persoon die ter plaatse met de leiding van de werkzaamheden is belast); vakbekwaam persoon (door voldoende opleiding en ervaring in staat gevaren door elektriciteit te voorkomen); voldoende onderricht persoon (door instructie in staat gevaren door elektriciteit te voorkomen). De werkgever moet genoemde personen schriftelijk aanstellen voor deze functies. De verantwoordelijkheden en bevoegdheden zijn met name gericht op de volgende onderwerpen: uitvoering en coördinatie van werkzaamheden en het nemen van veiligheidsmaatregelen; verantwoordelijkheid voor de veiligheid van eigen medewerkers en voor derden; het houden van toezicht op het naleven van de veiligheidsregels. Ook inleenkrachten, die elektrotechnische werkzaamheden uitvoeren of in elektrotechnische ruimtes komen, moeten schriftelijk worden aangewezen door de werkgever die het personeel inhuurt. Wet- en regelgeving Arbobesluit art. 3.4 en 3.5. 2.1.6 Er zijn bevoegde medewerkers met voldoende deskundigheid voor het werken aan hoogspanningsinstallaties. Dit risico is nog niet beoordeeld. Voor het mogen werken aan hoogspanningsinstallaties (>= 1000 V wissel- of 1500 V gelijkspanning) worden extra deskundigheidseisen gesteld. Voor verdere invulling hiervan zie de norm NEN 3840. Wet- en regelgeving Arbobesluit art. 3.5. 2.1.7 Personenliften worden periodiek gekeurd door een aangewezen conformiteitsbeoordelingsinstantie Dit risico is nog niet beoordeeld. De volgende keuringen moeten bij een personenlift worden uitgevoerd: Een vooringebruikname keuring; Een keuring na 12 maanden; Vervolgens een keuring na iedere termijn van 18 maanden. De keuringen worden uitgevoerd door een aangewezen conformiteitsbeoordelingsinstantie. Wet- en regelgeving Warenwetbesluit liften 2016, art. 18. 2.2 Voorzieningen in noodsituaties 2.2.1 Er zijn voldoende nooduitgangen. Dit risico is nog niet beoordeeld. Alle werkruimten moeten in geval van nood snel kunnen worden verlaten door meerdere (nood)uitgangen. Hiertoe moeten deze ruimten zijn voorzien van minimaal twee zover mogelijk uit elkaar gelegen uitgangen. De afstand die in een ruimte moet worden afgelegd om een uitgang te bereiken, mag niet meer bedragen dan 30 meter. De uitgangen dienen te leiden naar twee verschillende wegen, waarlangs men de begane grond buiten het gebouw kan bereiken. Wet- en regelgeving Arbobesluit art. 3.6, Bouwbesluit 2012 art. 6.25. 2.2.2 Nooduitgangen zijn duidelijk aangegeven en zijn vrij toegankelijk. Dit risico is nog niet beoordeeld. Zonder dat er iets verschoven hoeft te worden of zonder dat er een sleutel gehaald hoeft te worden, kan de nooduitgang meteen geopend worden. Vluchtwegen die niet dienen als normale uitgang moeten aan de binnenkant zijn aangeduid door de bekende groene bordjes met pijlen/pictogrammen. Vluchtwegen moeten te allen tijde zijn verlicht. Bij stroomuitval dient een noodverlichtingsysteem de zichtbaarheid van de vluchtwegen te waarborgen. Wet- en regelgeving Arbobesluit art. 3.7 en 3.9. Bouwbesluit 2012 art. 6.24. 2.2.3 Met een plattegrond is aangegeven waar men zich bevindt en welke vluchtroutes gebruikt kunnen worden. Dit risico is nog niet beoordeeld. Op diverse plekken is een plattegrond goed zichtbaar opgehangen waarop medewerkers kunnen zien waar ze zijn en waar zich, in geval van nood, de nooduitgangen bevinden. Op de plattegrond is een looproute naar de uitgang aangegeven. Wet- en regelgeving Arbowet art. 8, Arbobesluit art. 3.7. 2.2.4 Alle medewerkers kennen de vluchtroutes en nooduitgangen. Dit risico is nog niet beoordeeld. Dit geldt zowel voor de vaste werklocatie als voor de locatie waarop op dat moment gewerkt wordt. Doordat medewerkers zichzelf kunnen redden, kunnen de gevolgen bij calamiteiten beperkt blijven. Wet- en regelgeving Arbowet art. 8. 2.2.5 Het bedrijf heeft een gebruiksmelding bij de gemeente gedaan. Dit risico is nog niet beoordeeld. Brandgevaar wordt vaak onderschat. Het is van belang dat dit gevaar zoveel mogelijk teruggedrongen wordt. Hier ligt een taak voor ons allen. De rijksoverheid speelt hier onder andere op in door voorschriften voor de brandveiligheid van gebouwen te geven. Indien er meer dan 50 personen tegelijkertijd aanwezig (zullen) zijn of er zijn gevaarlijke stoffen opgeslagen dan dient er ten minste vier weken vantevoren een gebruiksmelding bij de gemeente te zijn gedaan. EIke gebruiksmelding is onbeperkt geldig; dit geldt ook voor een omgevingsvergunning of een gebruiksvergunning van voor 2009 waarin mogelijk een beperking in de geldigheidsduur is vermeld. Na een gebruiksmelding kan de gemeente uw gebouw controleren en nadere voorwaarden aan het gebouwgebruik opleggen die noodzakelijk zijn voor het voorkomen, beperken of bestrijden van brand, brandgevaar en ongevallen bij brand. Wet- en regelgeving Bouwbesluit 2012 paragraaf 1.5 2.2.6 De vereiste brandblusmiddelen zijn in alle ruimten aanwezig, herkenbaar en bereikbaar. Dit risico is nog niet beoordeeld. In Afdeling 6.7 van het Bouwbesluit 2012 worden eisen gesteld aan brandpreventie, waaronder de brandblusmiddelen. In dat Bouwbesluit worden enerzijds brandpreventie-eisen gesteld aan bestaande gebouwen en anderzijds brandpreventie-eisen aan nieuwbouw. Bij laswerkzaamheden moet een blustoestel bij het werk gereed staan. Er is een aantal blusmiddelen die op bepaalde brandtypen geen effect hebben of zelfs averechts kunnen werken. Zo mag geen water of schuim worden gebruikt voor het blussen van elektriciteitsbranden. Laat u door de brandweer of de leverancier van de blusmiddelen adviseren welke blusmiddelen u het best kunt aanschaffen. Wet- en regelgeving Afdeling 6.7 (Bestrijden van brand, nieuwbouw en bestaande bouw) van het Bouwbesluit 2012 Artikel 3.8 Arbobesluit 2.2.7 Alle blusmiddelen worden jaarlijks gekeurd. Dit risico is nog niet beoordeeld. Kleine blusmiddelen, zoals brandblussers en brandslanghaspels, moet u minimaal één keer per jaar laten keuren door een REOB erkend bedrijf. Een brandslanghaspel moet u bovendien een keer in de vijf jaar uitgebreider laten controleren. Op elk blusmiddel moet een keuringsbewijs zitten. Hierop staat: wie de keuring heeft uitgevoerd; wanneer de keuring is gedaan; wanneer de volgende keuring plaats zal vinden. 2.3 Inrichtingseisen voor werkplekken 2.3.1 Werknemers hebben een rookvrije werkplek. Dit risico is nog niet beoordeeld. Roken op het werk is verboden. Om rokers tegemoet te komen kan het bedrijf een aparte ruimte inrichten waar werknemers kunnen roken. Deze ruimte moet afsluitbaar zijn (deur dicht) en voorzien zijn van een goede afzuiging/luchtverversing. Wet- en regelgeving Tabaks- en rookwarenwet Artikel 10 2.3.2 U heeft duidelijk aangegeven waar vuurverboden gelden. Dit risico is nog niet beoordeeld. Roken en vuur is op een aantal plaatsen bijzonder gevaarlijk, denk aan de opslag van verven en de aanwezigheid van houtproducten en houtstof. Wet- en regelgeving Arbobesluit art. 8.4. In geval van explosieve atmosferen: Arbobesluit, artikel 3.5d, lid 6 2.3.3 Transportroutes voor de heftruck zijn voldoende breed. Dit risico is nog niet beoordeeld. Heftrucks moeten de ruimte hebben om te kunnen rijden en draaien. Transportroutes zijn bij eenrichtingsverkeer minimaal 60 cm breder dan het breedst beladen transportmiddel. In beide richtingen verkeer: 90 cm breder dan het 2x breedst beladen voertuig. Wet- en regelgeving Arbobesluit art. 3.14, 3.15. 2.3.4 Er zijn duidelijke loop- en rijpaden aangegeven. Dit risico is nog niet beoordeeld. Indien het risico aanwezig is om aangereden te worden door aangedreven transportmiddelen zoals heftrucks, dient u in het bedrijf aan te geven waar deze wel en niet mogen worden gebruikt. In die gevallen waarbij regelmatig transportmiddelen en lopend personeel samen in één ruimte zoals het magazijn zijn, dient u looppaden en rijpaden te scheiden. Wet- en regelgeving Arbobesluit art. 3.14. 2.3.5 De vloeren zijn stroef, schoon en vlak. Dit risico is nog niet beoordeeld. Vloeren moeten schoon, ordelijk en niet glad zijn om struikelen en vallen te voorkomen. Natte vloeren zijn niet alleen glad, maar kunnen ook leiden tot natte en/of koude voeten. Op plaatsen waar met water wordt gewerkt en op buitenterreinen (regenwater) moet daarom voldoende afwatering aanwezig zijn. Wet- en regelgeving Arbobesluit art. 3.11. 2.3.6 Toegangsdeuren zijn veilig en gemakkelijk te bedienen en voldoen aan alle eisen. Dit risico is nog niet beoordeeld. Met name bij toegangsdeuren van het type hefdeur, kanteldeur, roldeur en/of overheaddeur speelt fysieke kracht een rol. De toegangsdeuren moeten gemakkelijk te openen zijn. Voor alle type toegangsdeuren geldt: Dat de constructie deugdelijk moet zijn, met inbegrip van de ophanging, de vanginrichting en de bevestiging aan het gebouw; Het geheel moet zijn vervaardigd van deugdelijke materialen; Delen die door losraken gevaar kunnen veroorzaken, moeten doeltreffend zijn geborgd; Plaatsen waar ook knelgevaar kan optreden (tandwielen, kabelschijven) moeten tot een hoogte van 2,40 m worden afgeschermd; Bij toepassing van trekveren moeten voorzieningen zijn getroffen, die bij breuk het wegspringen van delen van de veer, alsmede knelgevaar tijdens het ontspannen van de veer voorkomen; Afhankelijk van het gewicht moeten toegangsdeuren en toegangshekken met een verticale sluitbeweging (massa meer dan 20 kg) of met een gecombineerde sluitbeweging (massa meer 50 kg) zijn voorzien van een vanginrichting. Wet- en regelgeving Arbobesluit art. 3.13 en 7.4. 2.3.7 De toegangsdeuren worden periodiek onderhouden en gekeurd (jaarlijks). Dit risico is nog niet beoordeeld. U moet zorgdragen voor het voortdurend veilig functioneren van de genoemde toegangsdeuren. Wet- en regelgeving Arbobesluit art. 7.4a. 2.3.8 Het gebruik van ladders als permanente werkplek is beperkt volgens de regels. Dit risico is nog niet beoordeeld maar aangezien het een top-5 risico is, is het hier wel opgenomen. Ga terug naar inventarisatie en vul ja, nee of n.v.t. in bij dit risico. Volgens het Arbobesluit mag de ladder als werkplek gebruikt worden als het gebruik van andere, veiligere arbeidsmiddelen redelijkerwijs niet mogelijk is in verband met het geringe risico, en als de ladder voor korte tijd wordt gebruikt of als er vanwege de bestaande kenmerken van de locaties geen andere mogelijkheid is dan het gebruik van een ladder. De voorzieningen en maatregelen om het valgevaar van een ladder te voorkomen bestaan minimaal uit: Zekeren tegen wegglijden of omvallen door het gebruik van stroeve voetverbreders, de ladder vast te binden en het gebruik van haken aan de bovenzijde van de bomen. Een goede staat van onderhoud en een jaarlijkse keuring door een deskundige. Afzetten van de werkomgeving op de werkvloer. De ladder op te stellen onder een hoek van 75°. Te zorgen dat de ladder 1 meter uitsteekt boven het steunpunt. Zie voor meer informatie over veilig werken op hoogte het arboportaal. Wet- en regelgeving Arbobesluit art. 7.23. 2.3.9 Ladders en verplaatsbare trappen zijn in goede conditie. Dit risico is nog niet beoordeeld. Ladders worden bij hoge uitzondering gebruikt. Alleen bij korte klussen of als een veiliger alternatief als een vaste trap, steiger of hoogwerker op een bepaalde plek niet mogelijk is, mag de ladder nog worden gebruikt. Iedere ladder of trap moet voldoen aan de Warenwet (Besluit draagbaar klimmaterieel). Ladder(s), inclusief ladderschoenen moeten in goede conditie zijn; Een houten ladder mag niet geverfd zijn en moet vrij zijn van olie of vet. De ladder moet onder een hoek van 70° tot 75° geplaatst zijn en tenminste 1 meter uitsteken boven de plaats waar zij toegang geeft; Ladders hoger dan 1 meter moeten van een handgreep of steun voorzien zijn, die tenminste 60 cm boven de hoogste trede uitsteekt. Wet- en regelgeving Arbobesluit artikel 7.4, 7.4a, 7.23, 7.23aWarenwet Besluit draagbaar klimmaterieel 2.3.10 (Rol)steigers worden op veilige wijze opgebouwd en gebruikt. Dit risico is nog niet beoordeeld maar aangezien het een top-5 risico is, is het hier wel opgenomen. Ga terug naar inventarisatie en vul ja, nee of n.v.t. in bij dit risico. Steigers zijn vaak noodzakelijk bij het uitvoeren van werkzaamheden op hoogte. Het op de juiste wijze bouwen, onderhouden en demonteren van steigerconstructies is uitermate belangrijk. Daarom dienen deze werkzaamheden door deskundige werknemers te worden verricht. Alleen zij kunnen dit werk veilig uitvoeren. Steigers zijn een vorm van collectieve valbeveiliging en bieden een veilige werkplek, op voorwaarde dat ze op de juiste wijze gebruikt worden. Zowel bij het opbouwen, het gebruik als het afbreken van steigers gebeuren echter regelmatig ongevallen. Als belangrijkste oorzaken van een ongeval kunnen worden genoemd het vallen van hoogte door personen en bezwijken of kantelen van de rolsteiger. De eisen die aan de diverse onderdelen als wielen, stabiliteitsverhogende elementen, verticale frames, schoorverbanden, eventuele liggers, werkvloeren, tussenvloeren en vloerluiken worden gesteld, staan in AI-blad nr. 21 uitgebreid beschreven. De voorzieningen en maatregelen om het valgevaar van mens en product van een steiger te voorkomen bestaan minimaal uit: Verrijdbare steigers worden niet verreden met personen en materiaal erop; Goede stabiliteit door schoren, stabilisatoren, verankering en borging; Goed dichtgelegde werkvloeren en de steiger wordt aan de binnenzijde betreden; Leuningen en hekwerk die minstens 1 meter boven het werkvlak zijn aangebracht; Aanwezigheid van heupleuningen; Goede staat van onderhoud en jaarlijks gekeurd zijn door deskundige. Geen ladders op de werkvloer van verrijdbare steigers betreden; Een steiger mag niet kunnen wegglijden of een onverhoedse beweging maken; Verrijdbare steigers moeten zijn opgebouwd en gebruikt volgens de richtlijnen uit de gebruiksaanwijzing. Meer informatie is te vinden in het A-blad rolsteigers (zie onder: Aanvullende bronnen om het risico te beoordelen) Wet- en regelgeving Arbobesluit artikel 7.4, 7.4a en 7.23b Voor bouwplaatsen: Arbobesluit artikel 7.34 2.3.11 Er wordt veilig gewerkt met hoogwerkers. Dit risico is nog niet beoordeeld maar aangezien het een top-5 risico is, is het hier wel opgenomen. Ga terug naar inventarisatie en vul ja, nee of n.v.t. in bij dit risico. Een hoogwerker is een verplaatsbaar hefwerktuig, dat is ingericht voor het heffen van personen en eventueel goederen. Met de hoogwerker kunnen op moeilijk bereikbare plaatsen werkzaamheden worden verricht. Een hoogwerker is geen hijswerktuig en mag dus ook niet als zodanig worden gebruikt. Alleen handgereedschappen en/of benodigde (kleine) materialen die niet buiten de werkbak uitsteken, mogen ermee vervoerd worden. De voorzieningen en maatregelen om valgevaar vanuit een hoogwerker te voorkomen bestaan minimaal uit: De toegang in de bak is beveiligd tegen op hoogte openen. Het is niet toegestaan hiervoor hulpmiddelen aan te brengen, zoals kabelbinders (tie-wraps) om sneller in- en uit te stappen. Rijd behoedzaam! Elke oneffenheid heeft een slinger in de bak tot gevolg. Een nooddaalinrichting aanwezig is die in geval van nood de bak op een stabiele wijze naar beneden kan brengen. Dit geeft direct aan dat altijd een tweede persoon (met kennis van zaken) bij de hoogwerker aanwezig moet zijn. De bescherming tegen vallen is verplicht en bestaat uit een korte lijn met een harnasgordel die tot gevolg heeft dat de persoon nooit over de leuning kan vallen. Het toepassen van een valbeveiliging met shock absorber is niet toegestaan. Bij een val uit de bak is het bevestigingspunt in de bak niet sterk genoeg (volgens prEN280) en kan de stabiliteit van de bak tijdens het vallen in gevaar komen. De bak mag niet zwaarder belast worden dan is aangegeven. Het op hoogte zwaarder belasten van de hoogwerker (bijvoorbeeld bij sloopwerkzaamheden) is niet toegestaan. Het op andere plaatsen in- en uitstappen dan de onderste positie is verboden. Het hijsen aan de bak, of aan constructiedelen van de hoogwerker is niet toegestaan tenzij dit voorzien is door de fabrikant. De gebruiksaanwijzing dient hiervoor een mogelijkheid te geven. Wet- en regelgeving Arbobesluit art. 7.23d. 2.3.12 Er is een afweging gemaakt met de Keuzewijzer Valbeveiliging of er wordt gebruik gemaakt van persoonsgebonden valbeveiligingsmiddelen. Dit risico is nog niet beoordeeld maar aangezien het een top-5 risico is, is het hier wel opgenomen. Ga terug naar inventarisatie en vul ja, nee of n.v.t. in bij dit risico. De werkgever moet maatregelen nemen ter voorkoming van valgevaar bij werkzaamheden op een hoogte van 2,5 meter of meer, of lager bij obstakels/uitstekende delen (bijvoorbeeld bij stellages) onder spanning staande leidingen, bij water en bij langsrijdend (heftruck)verkeer. Valgevaar moet worden voorkomen door te werken vanaf een veilige steiger, stelling, bordes of werkvloer of in geval van andere werkplekken door doelmatig leuning- of hekwerk. Echter, in sommige gevallen mag worden volstaan met veiligheidsnetten of harnasgordels met lijnen, of middelen met tenminste een zelfde mate van beveiliging. Dit mag alleen als kan worden aangetoond: dat het niet mogelijk is om hierboven genoemde voorzieningen aan te brengen, of dat het aanbrengen en wegnemen van deze voorzieningen grotere gevaren met zich mee brengen dan de uit te voeren werkzaamheden zelf. Wanneer andere beschermingsmaatregelen niet toereikend zijn, maken we gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen. Valbeveiliging moet de gevolgen van een val op het menselijk lichaam opvangen. Bijvoorbeeld een goed sluitende harnasgordel in combinatie met veiligheidshaken en een vallijn, met daaraan een valstopapparaat. Dit spant zich automatisch bij het vallen als je aan werk bent langs een gevel of lopend over een dak. Er is keuze uit verschillende valstopapparaten, zoals de geïntegreerde valdemper, het automatische valstopapparaat en de blocmax met valdemper. Met een positioneerlijn kun je je wel op de werkplek positioneren, maar als valbeveiliging is deze niet geschikt. Alleen goed onderhouden en niet-versleten valbeveiligingen voldoen aan de eisen die er aan worden gesteld en zijn betrouwbaar. De veilige werking van deze valbeveiligingen is afhankelijk van het gebruik, de leeftijd en de specificaties van het product. Roestvorming aan een valhaak heeft tot gevolg dat de weerstand van de haak bij vallen een stuk geringer is. Een valstopapparaat moet op de juiste afstand boven het hoofd van de gebruiker worden opgehangen. Zie ook Keuzewijzer Valbeveiliging. Wet- en regelgeving Arbobesluit art. 7.23. 2.4 Pauzeruimten en andere voorzieningen 2.4.1 De ontspanningsruimte (kantine of andere schaftruimte) is gescheiden van de werkplaats. Dit risico is nog niet beoordeeld. Elk bedrijf moet over een ontspanningsruimte beschikken, waar werknemers de pauzes kunnen doorbrengen. Deze ruimte is schoon en voldoende groot, verwarmd, geventileerd, verlicht en uitgerust met tafels en stoelen. De afmetingen van deze ruimte zijn afhankelijk van het aantal werknemers. De ruimte heeft uitzicht naar buiten. Eten en drinken in werkplaatsen geeft een hogere blootstelling aan gevaarlijke stoffen en minder hygiëne. Wet- en regelgeving Arbobesluit art. 3.20. 2.4.2 Toiletten, urinoirs en wasbakken zijn in voldoende aantallen aanwezig. Dit risico is nog niet beoordeeld. Tot een aantal van tien medewerkers kan worden volstaan met één toilet (voor dames en heren). Indien u meer dan tien medewerkers heeft moeten er afzonderlijke dames- en herentoiletten zijn. Zorg dan dat er voor iedere 15 werknemers van hetzelfde geslacht minstens één toilet is. Het mannentoilet mag ook deels uit urinoirs bestaan zolang er maar één toilet voor iedere 25 mannen of minder is. In de nabijheid van toiletten moeten altijd voldoende wasbakken zijn met stromend water. Op locaties met mobiele toiletten gelden dezelfde regels als voor normale toiletten. Wet- en regelgeving Arbobesluit art. 3.24. 2.4.3 Voor mannen en vrouwen zijn aparte wasgelegenheden aanwezig als zij blootgesteld worden aan vuil en stof. Dit risico is nog niet beoordeeld. Indien werknemers bloot staan aan vuil, vocht of stof moeten er voldoende wasbakken aanwezig zijn. Indien de reiniging meer omvat dan de handen en gezicht, is een doucheruimte met voldoende aantal douches verplicht. Voor zowel wasbakken als voor douches geldt dat deze voldoende ruim en doelmatig ingericht moeten zijn en moeten beschikken over warm en koud stromend water. De ruimtes moeten voor mannen en vrouwen gescheiden zijn. Aan deze bepaling wordt ook voldaan als was- en doucheruimtes bij toerbeurt door mannen en vrouwen kunnen worden gebruikt. Wet- en regelgeving Arbobesluit art. 3.23. 2.4.4 Toiletten, urinoirs, wasbakken en kleedgelegenheden worden dagelijks schoongemaakt. Dit risico is nog niet beoordeeld. Vanuit normaal hygiënisch oogpunt dient sanitair goed te worden schoongehouden en zo nodig dagelijks te worden schoongemaakt. Wet- en regelgeving Arbobesluit art. 3.2. 2.4.5 Er zijn goed geventileerde en gescheiden bergplaatsen voor eigen en bedrijfskleding aanwezig. Dit risico is nog niet beoordeeld. Bij gebruik van bedrijfskleding ter bescherming tegen vocht, stof en vuil moeten de werknemers beschikken over een (om)kleedruimte en een eigen afsluitbare kledingbergplaats. Wet- en regelgeving Arbobesluit art. 3.22. 2.4.6 Voor vrouwen die borstvoeding geven is er een geschikte ruimte om te kolven Dit risico is nog niet beoordeeld. De werkgever is verplicht een medewerker met zuigeling de mogelijkheid te bieden om het werk te onderbreken voor het geven van borstvoeding of om moedermelk af te kolven. Indien er geen ruimte beschikbaar is, moet de werkgever de werkneemster in de gelegenheid stellen thuis te voeden of te kolven. Een moet aan de volgende eisen voldoen:De ruimte moet afsluitbaar zijn;Er is een deugdelijk (opvouwbaar) bed of deugdelijke rustbank beschikbaar;Voorzieningen om klimaat te regelen zijn beschikbaar;Er moet voldoende verse lucht zijn en voorzieningen voor klimaatbeheersing;De ruimte is vrij van gevaarlijke stoffen en verontreinigingen. Meer informatie:http://www.arboportaal.nl/onde... Wet- en regelgeving Arbobesluit, art. 3.48. 2.5 Werken in de magazijnen 2.5.1 Stellingen zijn stabiel geplaatst; omvallen en instorten is niet mogelijk. Dit risico is nog niet beoordeeld. Belangrijkste gevaren in opslagruimten en magazijnen zijn: Vallende voorwerpen als gevolg van niet juiste opslag; Rommel en troep, waardoor onoverzichtelijke situaties ontstaan; Aanrijdgevaar van pompwagens, rondrijdende heftrucks of ander materieel. Daarom moeten magazijnen op de juiste wijze worden ingericht. Wet- en regelgeving Arbobesluit art. 3.3 2.5.2 Stellingen worden juist belast. Dit risico is nog niet beoordeeld. De leverancier van de stellingen kan informatie verstrekken over de maximale belasting van de legborden en over eventuele aanvullende voorschriften. Wet- en regelgeving Arbobesluit art. 3.3. 2.5.3 De keuring- en onderhoudseisen voor (magazijn)stellingen worden nageleefd. Dit risico is nog niet beoordeeld. Wanneer stellingen of entresols onjuist gemonteerd zijn of niet in goede staat verkeren, bijvoorbeeld door roestvorming of doorgebogen staanders, of aanrijdschade, bestaat kans op ongevallen, lichamelijk letsel en materiële schade door omvallen van stellingen of getroffen worden door vallende voorwerpen uit de stelling. Er gelden daarom keuring- en onderhoudseisen voor magazijnstellingen en entresols. Een ingebruikname keur is verplicht voor: magazijnstellingen die steunen op de vloer en het gebouw; magazijnstelling hoger dan 8,5 meter; magazijnstelling voorzien van een verdiepingsvloer of een loopbrug en hoger dan 3 meter; zogenaamde stellingconfiguratie (Dit is veelal vastgelegd in de door de leverancier afgegeven gebruikershandleiding.); alle entresols. Periodieke keuringen Een periodieke keuring is conform het Arbobesluit Artikel 7.4a wettelijk verplicht. De keuring dient te worden uitgevoerd door een deskundige persoon of instelling. De vereniging van Stelling Leveranciers/Dutch Material Handling (DMH) en de Vereniging BMWT (brancheorganisatie van importeurs of fabrikanten van Bouwmachines, Magazijninrichtingen, Wegenbouwmachines en Transportmaterieel) hebben hun keuringsregime gestructureerd. Het GSF keur en BMWT keur bieden zekerheid rondom de deskundigheid van de keuring. De frequentie van deze keuring kan het beste in overleg met de keuringsinstantie bepaald worden. Veelal is een maal per jaar een veilige ondergrens. Periodieke inspecties Er zijn 2 soorten inspectieniveaus te onderscheiden: Dagelijkse waarnemingen door de heftruckbestuurders en orderverzamelaars. Schade aan stellingmateriaal die zij door een handelingsfout zelf hebben veroorzaakt of door derden, moet direct worden gemeld. Het is zinvol hier een meldingsprocedure voor op te stellen, waarin is vastgelegd wanneer en bij wie melding gemaakt moet worden. Deze procedure moet ertoe bijdragen dat de noodzakelijke maatregelen direct kunnen worden genomen en dat de kans op werken met plaatselijk onveilige stellingen zo klein mogelijk zal zijn. Wekelijkse tot maandelijkse inspecties door een deskundige medewerker. De frequentie is afhankelijk van de regelmaat en mate waarin reparaties en/of corrigerende maatregelen moeten worden getroffen.  Wet- en regelgeving Arbobesluit art. 3.2. 2.5.4 De belasting van de (tussen)vloeren blijft binnen de gestelde maximale belasting. Dit risico is nog niet beoordeeld. Voor met name tussenvloeren moet u rekening houden met de maximale belasting van de vloeren. De maximale belasting kunt u aan de installateur of de ontwerper vragen. Wet- en regelgeving Arbobesluit art. 3.3. 2.5.5 Werk- en tussenvloeren (entresols) zijn voorzien van een stevige leuning. Dit risico is nog niet beoordeeld. Werk- en tussenvloeren (entresols) met een valgevaar van 2,5 meter hoogte of meer moeten minimaal voorzien zijn van één leuning op 1 meter hoogte en één op 50 cm hoogte. Vloeropeningen moeten zijn afgedekt of zijn afgeschermd met een geleiding, voorzien van kantplanken (schoprand) tegen het vallen. Wet- en regelgeving Arbobesluit art. 3.16. 2.5.6 Werk- en tussenvloeren (entresols) zijn voorzien van een gemakkelijk af te sluiten 'aanvoeropening'. Dit risico is nog niet beoordeeld. Een aanvoeropening in een tussenvloer (entresol) brengt het risico met zich mee dat personen of goederen naar beneden vallen. De aanvoeropening mag alleen open staan wanneer goederen worden gelost op de tussenvloer (entresol). Op alle andere momenten moet de opening afgesloten zijn met een doelmatige voorziening, zoals een afsluitbaar draai- of schuifhek. Wet- en regelgeving Arbobesluit art. 3.16. 3 Fysieke belasting en beeldschermwerk 3.1 Tillen en dragen 3.1.1 Er wordt voorkomen dat werknemers lasten tillen of dragen die zwaarder zijn dan 23 kilo . Dit risico is nog niet beoordeeld maar aangezien het een top-5 risico is, is het hier wel opgenomen. Ga terug naar inventarisatie en vul ja, nee of n.v.t. in bij dit risico. Zwaarder tillen dan 23 kg, voortdurend in gebogen of gedraaide houdingen werken, voortdurend in één houding werken, boven de macht werken en ver reiken zijn alle ongewenste situaties omdat ze het lichaam te zwaar belasten. Zware lasten in branches zijn bijvoorbeeld:  balken positioneren in de zaagstraat of kisten en dozen met gereed product stapelen. Met name operators en productiepersoneel en magazijnmedewerkers hebben hier veel mee te maken. Regelmatig zwaar tillen en dragen leidt tot overbelasting van rugspieren en tussenwervelgewrichten. Fysieke belasting als gevolg van tillen of dragen vraagt daarom om een actieve aanpak. In een ideale situatie bedraagt het maximaal te tillen gewicht voor 1 persoon 23 kilo. Als je boven de macht moet tillen bijv. boven de 1,80 meter dan is 4 kilogram de limiet. Van de ideale tilsituatie is echter vrijwel nooit sprake. De last moet dan namelijk: recht voor het lichaam worden getild; op tafelhoogte staan; bijna tegen het lichaam aan getild worden; gemakkelijk vast te houden zijn. Omdat dit vrijwel nooit voorkomt is in de meeste situaties het maximum tilgewicht al veel eerder bereikt. Zeker omdat ook het aantal keren dat gedragen of getild moet worden hierop van invloed is. Twintig keer per dag een gewicht van meer dan 10 kilo moeten tillen of dragen (bekistingsonderdelen of ruwe balken bijvoorbeeld) kan ook tot overbelasting leiden. Werken met tilhulpmiddelen voor bijvoorbeeld het handig kunnen neerleggen van balken, zware lasten samen tillen of dragen, en goede beschermingsmiddelen kunnen al gauw een groot verschil maken in de dagelijkse belasting. Wet- en regelgeving Arbobesluit art. 5.2. 3.1.2 Er wordt voorkomen dat goederen zwaarder dan 4 kg hoger dan 1.80 meter worden getild. Dit risico is nog niet beoordeeld maar aangezien het een top-5 risico is, is het hier wel opgenomen. Ga terug naar inventarisatie en vul ja, nee of n.v.t. in bij dit risico. Goederen zwaarder dan 4 kg mogen handmatig maximaal op 1.80 meter hoogte worden geplaatst. Zwaardere goederen moeten lager worden geplaatst of ze moeten met tilhulpen (bijvoorbeeld een stapelaar) hoger worden geplaatst. Zie: Basisinspectiemodule Fysieke belasting: https://www.inspectieszw.nl/pu... 3.2 Duwen en trekken 3.2.1 Duwen en trekken met zware lasten wordt voorkomen. Dit risico is nog niet beoordeeld maar aangezien het een top-5 risico is, is het hier wel opgenomen. Ga terug naar inventarisatie en vul ja, nee of n.v.t. in bij dit risico. Duwen en trekken aan producten en onderdelen komt voor in veel branches, zoals het verplaatsen van rolcontainers of karren. Dit kan leiden tot klachten aan nek, rug en schouders. Wet- en regelgeving Arbobesluit art. 5.2 en 5.3. 3.3 Ongunstige werkhouding 3.3.1 Het werken in ongunstige werkhoudingen wordt voorkomen. Dit risico is nog niet beoordeeld maar aangezien het een top-5 risico is, is het hier wel opgenomen. Ga terug naar inventarisatie en vul ja, nee of n.v.t. in bij dit risico. Bij ongunstige werkhoudingen kan ook kracht worden uitgeoefend. Spieren, gewrichten en pezen kunnen hierdoor overbelast raken, en kunnen klachten ontstaan als spier- en peesontstekingen of gewrichtsklachten. Voorbeelden van ongunstige houdingen zijn: werken met gedraaide of gebogen rug; werken boven schouderhoogte; knielend werken; gehurkt werken; staan op 1 been; meer dan 1 uur onafgebroken staan. Dit komt voor bij werken aan verschillende automatische palletmachines. Het anders plannen van het werk (zo veel mogelijk voorbereidende werkzaamheden verrichten in een 'gewone' lichaamshouding), het aanschaffen van hulpmiddelen (bijvoorbeeld om wat hoger te staan, en zo een beter bereik te hebben, of comfortabel te kunnen zitten of knielen), lichter gereedschap en goede beschermingsmiddelen (om het ongemak tijdens het werken te verminderen) zijn voorbeelden van oplossingen, die kunnen helpen. Daarnaast is instructie van medewerkers van belang. Wet- en regelgeving Arbobesluit art. 5.2, 5.3. 3.4 Langdurig staan 3.4.1 Alle medewerkers kunnen regelmatig (stil) staand, zittend of lopend werk, afwisselen. Dit risico is nog niet beoordeeld maar aangezien het een top-5 risico is, is het hier wel opgenomen. Ga terug naar inventarisatie en vul ja, nee of n.v.t. in bij dit risico. Langdurig stil staan kan leiden tot problemen in benen en bloedsomloop. Stasteunen kunnen behulpzaam zijn om problemen te voorkomen, evenals de mogelijkheid om van houding te veranderen en werkzaamheden af te wisselen of regelmatig te onderbreken.  Wet- en regelgeving Arbobesluit art. 5.4. 3.5 Trillingen 3.5.1 Arbeid waarbij langere tijd met arbeidsmiddelen wordt gewerkt die trillingen veroorzaken, wordt voorkomen. Dit risico is nog niet beoordeeld. Veel soorten aangedreven gereedschap, zoals boormachines, maar ook luchthamers, spijkermachines zorgen voor trillingen of schokken. Doet dit zich lang achter elkaar voor, dan kunnen er afwijkingen ontstaan aan de bloedvaten en de zenuwen van armen en vingers. Dit kan zich uiten door tintelingen in de vingers, en op den duur gevoelloosheid en verlies aan kracht. Belangrijk is om te bekijken op welke manier de trillingen kunnen worden gedempt: bij voorkeur op gereedschappen zelf (bijv. een handvat met dempend effect), anders door middel van persoonlijke beschermingsmiddelen (bijv. goed passende dempende handschoenen). Lichaamstrillingen kunnen ook optreden tijdens het besturen van voertuigen, bijvoorbeeld een heftruck, tijdens het rijden op een ongelijk wegdek op het buitenterrein. Te veel lichaamstrillingen kunnen rugklachten veroorzaken, maar kunnen ook het hartritme beïnvloeden met hoge bloeddruk en maagklachten tot gevolg. Bij slecht afgeveerde transportmiddelen en bij het rijden op een niet egaal wegdek is het niveau van lichaamstrillingen hoger. Laat de blootstelling bij twijfel door een deskundige beoordelen. Wet- en regelgeving Arbobesluit art. 6.11c. 3.6 Beeldschermwerk meer dan 2 uur achter elkaar 3.6.1 Na 2 uur computerwerk kan minimaal 10 minuten gepauzeerd worden of kan tijdelijk ander, niet beeldschermgebonden werk, worden gedaan. Dit risico is nog niet beoordeeld. Bij langdurig computerwerk is sprake van langdurig eenzijdige lichamelijk belasting. Hierdoor kunnen fysieke klachten ontstaan, zoals tinteling, stijfheid, pijn en dergelijke aan polsen, armen, nek en schouder. Dergelijke klachten worden KANS, CANS of RSI genoemd. Zie voor verdere informatie de site www.arboportaal.nl Wet- en regelgeving Arbowet art. 3, lid 1, sub d, Arbobesluit art. 5.10. 3.6.2 Bij minimaal twee uur aaneengesloten computerwerk is de werkplek (bureau, stoel, etc.) aan de lengte van de medewerker aangepast. Dit risico is nog niet beoordeeld. Bij langdurig werken achter de computer is het van belang dat de medewerkers de juiste werkhouding kunnen aannemen. Hiervoor gelden richtlijnen. De tafel moet voldoende groot zijn. Voldoende groot is minimaal 120 cm bij 60 cm, maar het liefst dieper. Dieper omdat er meestal een beeldscherm en toetsenbord op staat. Daarnaast moet een beeldscherm op 60 cm afstand van een werknemer staan. In hoogte verstelbare tafels zijn geschikt voor medewerkers met verschillende lengtes. Zie voor verdere informatie de site www.arboportaal.nl Wet- en regelgeving Arbowet art. 3, lid 1, sub d en Arbobesluit art. 5.12. 3.6.3 Spiegelingshinder in beeldschermen is afwezig. Dit risico is nog niet beoordeeld. Spiegelingshinder veroorzaakt slecht zicht op het beeldscherm. Hierdoor wordt het werken met beeldschermen inspannender en de medewerkers raken sneller vermoeid. Door donkere tekens op een lichte achtergrond toe te passen wordt al minder hinder waargenomen, maar ook het afschermen van ramen en verlichtingsarmaturen kan helpen. Geschikte werkverlichting toepassen, zoals indirecte verlichting of directe verlichting met antireflectiekappen en de juiste toetreding van daglicht kunnen de spiegelingshinder verminderen. Veelal wordt een combinatie van oplossingen gezocht. Instelbare helderheidswering bijvoorbeeld verticale lamellen zijn noodzakelijk bij beeldschermwerk om de intensiteit van het licht dat op de werkplek valt te verminderen. Helderheidswering is niet hetzelfde als zonwering. Helderheidswering is verplicht in elke ruimte waarin met een beeldscherm wordt gewerkt, ook aan de noordzijde van een gebouw. Wet- en regelgeving Arboregeling artikel 5.1, onder e. en artikel 5.2, onder b. en c. 3.6.4 Er is goede afstemming tussen verlichting en beeldschermapparatuur. Dit risico is nog niet beoordeeld. Om de informatie op het beeldscherm goed te kunnen zien, is het nodig om de verlichting, het invallende daglicht en de beeldschermapparatuur goed op elkaar af te stemmen. Het juiste verlichtingsniveau ligt tussen de 500 en 700 lux op het werkblad van de beeldschermwerkplek. In de algemene kantoorruimte ligt dat tussen de 200-800 lux. Wet- en regelgeving Arboregeling artikel 5.2, onder a. 3.6.5 De werknemers weten hoe zij hun werkplek op de goede hoogte moeten instellen. Dit risico is nog niet beoordeeld. Voor een goede werkhouding kan minimaal de stoel worden ingesteld en kan (als dat van toepassing is) het werkblad en het voetenbankje in hoogte worden ingesteld. Wet- en regelgeving Arbowet art. 8. 3.6.6 Er zijn maatregelen genomen om beeldschermwerkers te beschermen met betrekking tot hun ogen en gezichtsvermogen. Dit risico is nog niet beoordeeld. Beeldschermwerkers worden in staat gesteld om via de bedrijfsarts een oogonderzoek te ondergaan, teneinde vast te stellen of een beeldschermbril noodzakelijk is. De werkgever is verplicht om de beeldschermbril na een positief advies van de bedrijfsarts ook te vergoeden. Wet- en regelgeving Arbowet art. 18 en Arbobesluit art. 5.11. 3.6.7 Per beeldschermwerkplek met platbeeldscherm is minimaal 6 m2 ruimte aanwezig. Dit risico is nog niet beoordeeld. Voor een kantoorwerkplek geldt een minimum oppervlakte. Uitgangspunt is een basiswerkplek per persoon. De minimaal benodigde oppervlakte wordt aangevuld afhankelijk van de situatie. De basiswerkplek bestaat uit een kantoorstoel, werktafel, PC/monitoropstelling, monitor met plat TFT beeldscherm en bergruimte onder de werktafel en is minimaal 6 m².De basiswerkplek van 6 m²; wordt aangepast, als onderstaande onderdelen van toepassing zijn: zonder lees/schrijfvlak: - 1 m²; voor verrijdbare ladenblokken: + 0,5 m²; voor staande kasten : + 0,5 m²; voor een overlegmogelijkheid: + 1,5 m² per persoon; voor apparatuur (printer, kopieerapparaat, faxen): + 1 m²; voor vergaderruimte: + 2 m²; per persoon. De norm voor de basiswerkplek geldt alleen voor administratieve werkplekken die langer dan 2 uur per dag in gebruik zijn. Werkplekken die slechts één of twee uur per dag of slechts één dag per week in gebruik zijn, hoeven niet aan de normen te voldoen. Als voor één of meerdere kantoorwerkplekken geldt dat u niet aan de normen voldoet, moet u op deze stelling een nee invullen. Wet- en regelgeving Arbobesluit artikel 5.4 en NEN-1824: Ergonomische eisen voor de oppervlakte van (werkplekken in) administratieve ruimtes en kantoren. 3.6.8 Er is voldoende opbergruimte. Dit risico is nog niet beoordeeld. Bij voldoende opbergruimte hoeven de vloeren, vensterbanken, bureaus etc. niet gebruikt te worden als (tijdelijke) opslag. Wet- en regelgeving NEN-1824: Ergonomische eisen voor de oppervlakte van (werkplekken in) administratieve ruimtes en kantoren. 3.6.9 Printers en kopieermachines die veel worden gebruikt, staan uit de buurt van de medewerkers. Dit risico is nog niet beoordeeld. Deze apparaten maken geluid, geven warmte af en er komen stoffen bij vrij. Bij incidenteel gebruik is dat niet zo erg, maar bij intensiever gebruik kunnen de medewerkers hier hinder of zelfs gezondheidsschade van ondervinden. En het is zo dat kopieerapparaten, faxen en laserprinters op de kantoorwerkplek eerder leiden tot klachten als er meer a