Register van relevante milieu wet- en regelgeving Gecontroleerde kopie nr. Documentnummer Revisie Revisiedatum Pagina HSE-02-L010.00 8 26-07-2012 1 van 32 REGISTER VAN RELEVANTE MILIEU WET- EN REGELGEVING INHOUD 0.  DOCUMENTBEHEERSING .............................................................................................3  1.  REGISTER RELEVANTE NEDERLANDSE MILIEU WET- EN REGELGEVING............4  1.1  ALGEMEEN.......................................................................................................... 4  1.2  MIJNBOUWWETGEVING .................................................................................... 5  1.3  MILIEUBEHEER................................................................................................... 7  1.4  RUIMTELIJKE ORDENING................................................................................ 14  1.5  WATER............................................................................................................... 16  1.6  NATUUR............................................................................................................. 18  1.7  DIVERSEN ......................................................................................................... 20  2.  TOEPASSINGSBEREIK NEDERLANDSE WETGEVING.............................................21  3.  MARIX WETGEVING EN INSPECTIES.........................................................................22  4.  DUITSE WETGEVING....................................................................................................25  5.  ENGELSE WETGEVING................................................................................................26  6.  DEENSE WETGEVING..................................................................................................32  Documentnummer Revisie Revisiedatum Pagina HSE-02-L010.00 8 26-07-2012 2 van 32 REGISTER VAN RELEVANTE MILIEU WET- EN REGELGEVING 1. REGISTER RELEVANTE NEDERLANDSE MILIEU WET- EN REGELGEVING In het register worden alleen die wet- en regelgeving genoemd die voor de milieu-aspecten van de operaties van Wintershall Noordzee BV relevant zijn. Aanverwante regelgeving, zoals bijvoorbeeld Arbo-wetgeving, is niet opgenomen. 1.1 ALGEMEEN Internationale regelgeving VN Zeerechtverdrag (UNCLOS) De belangrijkste onderwerpen zijn het bepalen van de grenzen, navigatie, de status van archipels, recht van doorgang, exclusieve economische zones (EEZ), continentaal plat jurisdictie, diepzeeboringen, het exploitatieregime, bescherming van het mariene milieu, wetenschappelijk onderzoek en de regeling van geschillen. De conventie bracht de grens van territoriale wateren op 12 mijl (22 km). In dit gebied is de kuststaat vrij om wetten uit te vaardigen, gebruik te regelen en elke hulpbron te gebruiken. Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan (OSPAR)* Het voornaamste doel van het OSPAR-verdrag is het voorkomen en beëindigen van de verontreiniging van het mariene milieu en het beschermen van het zeegebied tegen nadelige effecten van menselijke activiteiten. Daarnaast is het verdrag gericht op herstel van aangetaste zeegebieden. Nederlandse wet- en regelgeving Algemene wet bestuursrecht (Awb) Bevat algemene regels voor de bestuursrechtelijke verhoudingen tussen overheden en burgers en rechtspersonen. Basiswet voor het algemene bestuursrecht. Rijkswet instelling exclusieve economische zone Nederland claimt sinds 28 april 2000 een exclusieve economische zone (EEZ) die zich uitstrekt voorbij de Nederlandse territoriale zee. De buitengrens van de EEZ komt overeen met de grens van het NCP die is vastgesteld in de grensverdragen met België, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Nederland oefent, overeenkomstig het Zeerechtverdrag, in de EEZ soevereine rechten uit ten behoeve van de exploratie en exploitatie, het behoud en het beheer van de levende en niet-levende natuurlijke rijkdommen van de wateren boven de zeebodem en van de zeebodem en de ondergrond daarvan, en met betrekking tot andere activiteiten voor de economische exploitatie en exploratie van de zone, zoals de opwekking van energie uit het water, de stromen en de winden. Besluit grenzen Nederlandse exclusieve economische zone Dit besluit bepaalt dat de grenzen van de Nederlandse EEZ samenvallen met: a. de 12 zeemijlengrens van de territoriale zee van Nederland, bedoeld in artikel 1(1) van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee (binnengrens) en b. de grenzen van het aan Nederland toekomende gedeelte van het continentaal plat (buitengrens). Tevens bepaalt het de inwerkingtreding van de Rijkswet instelling EEZ. Documentnummer Revisie Revisiedatum Pagina HSE-02-L010.00 8 26-07-2012 4 van 32 REGISTER VAN RELEVANTE MILIEU WET- EN REGELGEVING Wet installaties Noordzee (WIN) De Wet installaties Noordzee dient als basis voor het treffen van voorzieningen ter bescherming van rechtsbelangen ten aanzien van installaties opgericht buiten de territoriale wateren op de bodem van het deel van de Noordzee waarvan de grenzen samenvallen met die van het aan Nederland toekomende gedeelte van het continentaal plat. 1.2 MIJNBOUWWETGEVING Internationale regelgeving Koolwaterstofrichtlijn EG Richtlijn is geïmplementeerd in de Mijnbouwwet. Nederlandse wet- en regelgeving Mijnbouwwet * (Mbw) De Mijnbouwwet beoogt één overzichtelijk en helder kader te bieden voor een verantwoorde en doelmatige mijnbouw, zowel voor de mijnbouw die plaatsvindt binnen het Nederlands grondgebied inclusief de territoriale zee, als voor de mijnbouw die plaatsvindt op het continentaal plat. Het continentaal plat omvat het onder de Noordzee gelegen deel van de zeebodem en de ondergrond daarvan voorbij de buitengrens van de territoriale zee (zie artikel 1(c)). De Mijnbouwwet is van toepassing op de winning en opsporing van delfstoffen en aardwarmte en het opslaan van stoffen beneden de oppervlakte van de aardbodem. Delfstoffen zijn gedefinieerd als “in de ondergrond aanwezige mineralen of substanties van organische oorspong, in een aldaar langs natuurlijke weg ontstane concentratie of afzetting, in vaste, vloeibare of gasvormige toestand, met uitzondering van brongas, kalksteen, zand, klei, schelpen en mengsels daarvan” (artikel 1(a)). Aardwarmte is gedefinieerd als “in de ondergrond aanwezige warmte die aldaar langs natuurlijke weg is ontstaan” (artikel 1(b)). De Wet is, met bepaalde uitzonderingen, slechts van toepassing voorzover delfstoffen op een diepte van meer dan 100 meter beneden de oppervlakte van de aardbodem aanwezig zijn. Dezelfde grens wordt gehanteerd ten aanzien van het opslaan van stoffen. Delfstoffen die zich op een geringere diepte bevinden vallen binnen het bereik van de Ontgrondingenwet. De Wet is met betrekking tot aardwarmte slechts van toepassing voor zover deze op een diepte van meer dan 500 meter beneden de oppervlakte van de aardbodem aanwezig is (artikel 2). De Mijnbouwwet bepaalt dat delfstoffen eigendom zijn van de staat. De eigendom van delfstoffen die met gebruikmaking van een winningsvergunning worden gewonnen, gaat door het winnen daarvan over op de vergunninghouder (artikel 3). De overige bepalingen van de Wet voorzien hoofdzakelijk in algemene regels waaraan vergunningen of ontheffingen van vergunningen dienen te voldoen. Tevens voorziet de Wet in de mogelijkheid tot het stellen van nadere regels. De bevoegde instantie voor toepassing van de Wet is de Minister van EL&I. Hoofdstuk 2 van de Wet heeft betrekking op vergunningen voor het opsporen en winnen van delfstoffen en aardwarmte. Hoofdstuk 3 van de Wet ziet op vergunningen voor het opslaan van stoffen. Het is verboden zonder een vergunning van de Minister van EL&I delfstoffen en aardwarmte op te sporen of te winnen of stoffen op te slaan. Het verbod geldt niet voor bij AMvB omschreven categorieën. Hoofdstukken 2 en 3 geven aan onder welke omstandigheden een vergunning kan worden geweigerd en welke beperkingen en voorschriften aan vergunningen kunnen worden opgelegd. Tevens is aangegeven wat de procedure voor vergunningverlening is en de regels die van toepassing zijn op de wijziging, overdracht en intrekking van vergunningen. Documentnummer Revisie Revisiedatum Pagina HSE-02-L010.00 8 26-07-2012 5 van 32 REGISTER VAN RELEVANTE MILIEU WET- EN REGELGEVING Hoofdstuk 4 geeft regels ten aanzien van de zorg voor de goede uitvoering van activiteiten die onder de Wet vallen. De (laatste) houder van de vergunning dient alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs gevergd kunnen worden om te voorkomen dat als gevolg van de met gebruikmaking van de vergunning verrichte activiteiten:  nadelige gevolgen voor het milieu worden veroorzaakt;  schade door bodembeweging wordt veroorzaakt;  de veiligheid wordt geschaad; of  het belang van een planmatig beheer van voorkomens van delfstoffen of aardwarmte wordt geschaad (artikel 33). Het winnen van delfstoffen en aardwarmte en het opslaan van stoffen dient te geschieden in overeenstemming met een (winnings)plan, dat instemming van de Minister van EL&I behoeft (artikel 34). Hoofdstuk 4 geeft aan welke onderwerpen in een plan aan de orde dienen te komen en op welke gronden de Minister instemming met een plan kan weigeren. Hoofdstuk 4 geeft aan welke nadere regels de Minister van EL&I kan stellen ten aanzien van de in dit hoofdstuk aan de orde zijnde zaken. De Wet bepaalt in Hoofdstuk 4 dat het oprichten van een mijnbouwwerk is verboden zonder vergunning van de Minister van EL&I verleend op grond van de Mijnbouwwet, tenzij er al een omgevingsvergunning is vereist op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (artikel 40). Een vergunning kan slechts in het belang van het milieu worden geweigerd. Het is mogelijk de vergunning onder beperkingen te verlenen. De Minister van EL&I kan rond een mijnbouwinstallatie een veiligheidszone van maximaal 500 meter gemeten van de buitenzijde van de installaties instellen (artikel 43). Niet meer in gebruik zijnde installaties dienen te worden verwijderd (artikel 44). De Minister van EL&I kan de verplichting tot verwijdering beperken tot een door hem te bepalen diepte beneden de bodem van een oppervlaktewater. De Minister kan bepalen dat een op of in het continentaal plat gelegen kabel of pijplijn, gebruikt voor het opsporen of winnen van delfstoffen of aardwarmte of het opslaan van stoffen, na het gebruik dient te worden verwijderd (artikel 45). Hoofdstuk 5 van de Wet heeft betrekking op financiële bepalingen. Hoofdstuk 6 van de Wet ziet op een aantal publieke lichamen die betrokken zijn bij de uitvoering van de Wet. Hoofdstuk 7 van de Wet bevat rapportageverplichtingen en hoofdstuk 8 heeft betrekking op toezicht en handhaving. Hoofdstuk 9 ziet op het Waarborgfonds mijnbouwschade en hoofdstuk 9a op de coördinatie van de aanleg of uitbreiding van mijnbouwwerken en pijpleidingen voor de winning van koolwaterstoffen en de opslag van stoffen. Hoofdstuk 10 heeft betrekking op rechtsbescherming. Mijnbouwbesluit (Mbb) en Mijnbouwregeling Het Mijnbouwbesluit werkt de hoofdelementen van de Mijnbouwwet uit. Meer technische details van de mijnwetgeving zijn uitgewerkt in de Mijnbouwregeling. Besluit algemene regels milieu mijnbouw (Amvb boren of Barmm) Het Amvb boren gaat over mobiele installaties en onderzeese installaties. Meldingen betreffende installaties in oppervlaktewater moet twee weken van te voren bij het Ministerie van EL&I binnen zijn. Artikel 8 omschrijft welke informatie er nodig is. Het gaat met namen over de milieuaspecten van de werkzaamheden. Verder zijn er regels vastgelegd ten aanzien van bodem, lucht, licht, geluid en externe veiligheid. Regeling algemene regels milieu mijnbouw Technische uitwerking van het Barmm Gaswet De Gaswet omvat regels op het gebied van transport en levering van gas en geeft tevens uitvoering aan de EG-richtlijn over de interne Europese gasmarkt uit 1998 (richtlijn nr Documentnummer Revisie Revisiedatum Pagina HSE-02-L010.00 8 26-07-2012 6 van 32 REGISTER VAN RELEVANTE MILIEU WET- EN REGELGEVING 98/30/EG en richtlijn nr 2003/55/EG). Uitvoeringsregeling Gaswet Bevat uitvoeringsregels voor de levering van gas aan kleinverbruikers. Besluit externe veiligheid Inrichtingen (Bevi) Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Het gaat daarbij onder meer om bedrijven die onder het BRZO vallen, LPG-tankstations, opslagplaatsen (PGS), ammoniakkoelinstallaties en spoorwegemplacementen. Het besluit bevat eisen voor het plaatsgebonden risico (PR) en regels voor het groepsrisico, en verplicht gemeenten en provincies hier bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen rekening mee te houden. Op grond van het Bevi zijn in de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) voor een aantal bedrijfscategorieën (LPG-tankstations, ammoniakkoelinstallaties, opslagplaatsen) vaste veiligheidsafstanden opgenomen. Het Bevi introduceert in artikel 14 een nieuw instrument, een veiligheidscontour, waarmee het bevoegd gezag (Wm en Wro gezamenlijk) aan kan geven tot hoever risicovolle bedrijven of bedrijventerreinen kunnen uitbreiden. Algemeen beleid Meerjarenafspraak energie-efficiency 3 2001-2020 De meerjarenafspraken energie-efficiency zijn overeenkomsten tussen de overheid en bedrijven, instellingen en gemeenten over het effectiever en efficiënter inzetten van energie. Vanaf 1992 heeft de overheid in het kader van het energiebesparingsbeleid met een groot aantal sectoren een meerjarenafspraak gemaakt over de verbetering van de energie- efficiency. Derde energienota In deze nota wordt aangegeven welke stappen het kabinet wil zetten om te komen tot een meer duurzame energiehuishouding. Tevens gaat de nota in op de toenemende liberalisering en internationalisering van energiemarkten. 1.3 MILIEUBEHEER Internationale regelgeving Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, zoals gewijzigd bij het Protocol van 1978 (MARPOL) MARPOL heeft tot doel zeeverontreiniging door schepen te beperken en te voorkomen. Het Verdrag bestaat voor het overgrote deel uit algemene artikelen, waarin algemene verplichtingen vastliggen van Verdragsstaten. Tevens worden er de handhavingsbevoegdheden omschreven. De uiteindelijke doelstellingen moeten worden bewerkstelligd door lozingsvoorschriften en technische eisen. Deze zijn neergelegd in de afzonderlijke Bijlagen. Elke Bijlage bestrijkt een verschillende schadelijke stof of categorie van stoffen. Documentnummer Revisie Revisiedatum Pagina HSE-02-L010.00 8 26-07-2012 7 van 32 REGISTER VAN RELEVANTE MILIEU WET- EN REGELGEVING Oslose, Parijse conventie ter bescherming van het mariene milieu van de Noord- Atlantische Oceaan * (OSPAR) Al omschreven. Europese Verordening voor Registratie, Evaluatie, Acceptatie van Chemicaliën* (REACH) REACH bepaalt dat bedrijven informatie moeten geven over de eigenschappen, het gebruik en de mogelijke risico’s van chemische stoffen binnen de EU. Daarbij moeten zij aantonen dat de stoffen veilig zijn en de risico’s beheersbaar zijn voor mens en milieu bij de productie, import en het gebruik in de hele toeleveringsketen. Volledig opgenomen in Hoofdstuk 9 Wm. Europese Afvalstoffenlijst (Eural) De Eural is een Europese beschikking met een lijst van afvalstoffen ter uitvoering van Richtlijn 75/442/EEG betreffende afvalstoffen en Richtlijn 91/689/EEG betreffende gevaarlijke afvalstoffen. De Eural voegt de Europese lijst van gevaarlijke stoffen en de Europese afvalcatalogus samen. Deze Europese afvalstoffenlijst zorgt voor harmonisatie van de omschrijvingen van afvalstoffen tussen de verschillende lidstaten en brengt zo ook harmonie in de beoordeling of een afvalstof gevaarlijk is of niet. Dit houdt in dat de Eural zowel gevaarlijke als niet gevaarlijke afvalstoffen bevat. Tevens zijn criteria omschreven aan de hand waarvan dit onderscheid gemaakt wordt. De bijlage van de Eural bevat een lijst met enkele honderden afvalstoffen. Tegelijk met de invoering van de Eural is de Wet tot wijziging van de Wet milieubeheer grotendeels in werking getreden. Deze wet, die hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer heeft veranderd, was onder meer noodzakelijk om de Europese afvalstoffenlijst in te kunnen voeren. Accord Européen relatif au transport international des marchandises dangereuses par route (ADR) Het ADR is het verdrag voor het internationale vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg. Volgens het ADR moeten stoffen en producten worden ingedeeld op basis van hun gevaarseigenschappen. EU-GHS Verordening (Globally Harmonized System of Classification and Labelling of Chemicals (GHS) Wereldwijd systeem voor de gevaarsindeling en gevaarscommunicatie van stoffen en mengsels. International Maritime Dangerous Goods Codes (IMDG) IMDG is de belangrijkste code voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over zee. Deze dient om de veiligheid van schip, lading en bemanning te waarborgen bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het is opgesteld door de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties en is onderdeel van SOLAS, hoofdstuk 7. Ook vanuit MARPOL 73/78 worden er eisen toegevoegd. Zo wordt aangegeven welke stoffen schadelijke zijn voor het mariene milieu. Regeling monitoring handel in broeikasgasemissierechten Deze regeling strekt ter uitvoering van hoofdstuk 16 van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) en het Besluit handel in emissierechten (hierna: besluit). Het besluit bevat onder meer algemene eisen voor de vergunningaanvraag en de aan de emissievergunning te verbinden voorschriften en de eisen waaraan meetinstanties, het emissieverslag, de verificateur en de verificatie moeten voldoen. Op grond van artikel 16.5, eerste lid, Wm is degene die een inrichting drijft (hierna: emittent) Documentnummer Revisie Revisiedatum Pagina HSE-02-L010.00 8 26-07-2012 8 van 32 REGISTER VAN RELEVANTE MILIEU WET- EN REGELGEVING verplicht een emissievergunning aan te vragen indien hij één of meer CO2-installaties exploiteert met activiteiten die CO2-emissies veroorzaken. De belangrijkste voorwaarde voor het kunnen afgeven van een CO2-vergunning is dat de inrichting in staat is de CO2-emissies nauwgezet en nauwkeurig te monitoren. Nederlandse wet- en regelgeving Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voegt verschillende stelsels van vergunningen, ontheffingen en meldingen (toestemmingen) op het gebied van ruimte, bouwen, milieu, natuur en monumenten samen tot één geïntegreerde omgevingsvergunning. Geldt voor mijnbouwwerken in de territoriale zee; voor mijnbouwwerken in de EEZ blijft de vergunningplicht op basis van de Mijnbouwwet onverminderd in stand, aangezien de werkingssfeer van de Wabo zich niet uitstrekt tot de EEZ. Besluit omgevingsrecht (Bor) en Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor) Middels het Besluit en de Regeling omgevingsrecht worden nadere inhoudelijke regels en aanvraagvereisten gesteld aan de omgevingsvergunning onder de Wabo. Bijlage 1 van het Bor wijst de inrichtingen aan die vergunningplichtig zijn onder Wabo en vervangt per 1 oktober 2010 het Inrichtingen- en vergunningenbesluit (Ivb) en Bijlage 1 van het Activiteitenbesluit. Ook bevatten de bijlagen bij het Bor de situaties waarvoor geen vergunning noodzakelijk is. Voorbeelden zijn tijdelijke bouwwerken tijdens een boring, zoals het ketenpark en een geluidsscherm. Wet milieubeheer (Wm) De Wet milieubeheer (Wm) heeft tot doel de bescherming van het milieu en een integrale aanpak van milieuvraagstukken, deels gebaseerd op de Europese IPPC-richtlijn. De wet is uitgegroeid tot een algemene milieuwet, maar in de Exclusieve Economische Zone (EEZ) is de wet maar deels van kracht. Hoofdstuk 8 was één van de hoekstenen van de Wm en handelt over vergunningen en algemene regels voor inrichtingen, alsmede eisen voor stationaire bronnen. Een groot deel van dit hoofdstuk, inclusief de bevoegdheid van EZ voor mijnbouwwerken is overgeheveld naar de Wabo. Overige hoofdstukken gaan over relevante onderwerpen als emissiehandel (16) afvalstoffen (10), milieu-effectrapportage (7) en milieuaansprakelijkheid (17). Veel van deze onderwerpen zijn nader geregeld in de navolgende uitvoeringsbesluiten (AMvB's) Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Barim of Activiteitenbesluit) Op grond van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) moeten inrichtingen die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken ofwel over een milieuvergunning beschikken of voldoen aan algemene regels die voorschriften met betrekking tot de bescherming van het milieu bevatten (de zogeheten ‘8.40-besluiten’). Bij de start van de modernisering van de algemene regels in Nederland is als randvoorwaarde gesteld dat het beschermingsniveau van de voorschriften uit de bestaande 8.40-besluiten en Wm-vergunningen niet ter discussie staat. De nieuwe normen zijn gebaseerd op de recente en algemeen aanvaarde milieuhygiënische inzichten, vastgelegd als best beschikbare technieken (BBT). Met de invoering van dit besluit per 1 januari 2008 is nu het uitgangspunt dat een inrichting onder de algemene regels valt, tenzij deze is uitgezonderd. De uitzonderingen zijn in dit besluit aangegeven. Dit zijn inrichtingen waarvoor de vergunningplicht blijft gelden, maar die voor een deel van de activiteiten te maken krijgen met de voorschriften die onder meer in hoofdstuk 3 van dit besluit zijn opgenomen. Milieuvergunningen en mijnbouwmilieuvergunningen voor de mijnbouw zijn – als zogeheten type C inrichtingen – uitgezonderd van dit besluit. Wel zullen de vergunningen geen voorschriften bevatten omtrent Documentnummer Revisie Revisiedatum Pagina HSE-02-L010.00 8 26-07-2012 9 van 32 REGISTER VAN RELEVANTE MILIEU WET- EN REGELGEVING b.v. lozingen omdat daarvoor hoofdstuk 3 als genoemd van toepassing is. Besluit milieueffectrapportage (Besluit mer) In het Besluit mer staat wanneer een mer-procedure of een mer-beoordelingsprocedure doorlopen moet worden. Mer-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een nieuw project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden, waardoor een milieueffectrapport nodig is. Als dat zo is, moet dus een mer-procedure worden doorlopen. Gewijzigd per aug 2011. Besluit emissie-eisen middelgrote stookinstallaties milieubeheer (BEMS) Het BEMS stelt emissie-eisen aan NOx, SO2 en totaal stof emissies van ketel-, gasturbine-, vloeistofmotor- of gasmotorinstallaties.Voor ketels geldt voor de emissie-eisen een ondergrens van 1 MWn. Voor gasmotorinstallaties worden ook eisen aan de emissie van onverbrande koolwaterstoffen gesteld. Voor installaties die na 1 april 2010 in bedrijf zijn genomen gelden de emissie-eisen direct. De emissie-eisen voor bestaande installaties worden, op een aantal uitzonderingen na, op 1 januari 2017 van kracht. Tot die datum blijven op grond van het BEMS de eisen in het BEES B of de vergunning van kracht. Besluit handel in emissierechten Besluit strekt ter uitvoering van hoofdstuk 16, Wet milieubeheer (Wm). Dit hoofdstuk is in de Wm ingevoegd bij de Implementatiewet EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten. Het besluit wijst de categorieën van activiteiten aan die onder het systeem van handel in broeikasgasemissierechten vallen; - bevat eisen met betrekking tot de aanvragen om een emissievergunning als bedoeld in artikel 16.5, eerste lid, Wm en bepalingen over de aan die vergunning te verbinden voorschriften; - bevat voorschriften voor de werkzaamheden die door meetinstanties worden uitgevoerd en eisen waaraan deze meetinstanties moeten voldoen; - bevat bepalingen met betrekking tot het emissieverslag; - stelt eisen aan de verificatie en de verificateur. De bijlage bij het besluit geeft een overzicht van categorieën van activiteiten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het besluit, die plaatsvinden in een broeikasgasinstallatie. Ontgrondingenwet Voor de winning van oppervlaktedelfstoffen op de Noordzee is een ontgrondingsvergunning benodigd (artikel 3 lid 1 Ontgrondingenwet). Het tot vergunningverlening bevoegde gezag is de Minister van Infrastructuur en Milieu. De reikwijdte van de Ontgrondingenwet is gelet op de wet en de toelichting daarbij ruim: belangen als visserij, scheepvaart, natuur- en landschapsschoon, recreatie, cultuurhistorie, maar ook bijvoorbeeld bestaande of aan te leggen kabels en leidingen en windturbineparken vallen binnen het bereik van de wet. Wet inzake de Luchtverontreiniging (Wet LUVO) De wet beoogt het voorkomen of beperken van luchtverontreiniging ter bescherming van mensen, dieren, planten en goederen. Bevat niet alleen bepalingen voor inrichtingen, maar ook voor andere bronnen van verontreiniging zoals toestellen, brandstoffen en verontreinigende handelingen. Regeling Lekdichtheidsvoorschriften koelinstallaties op schepen (Rlk) Bevat nadere regels omtrent koelinstallaties op schepen die koudemiddelen bevatten zoals CFK’s, HCFK’s en HFK’s. Asbestverwijderingsbesluit 2005 In het besluit worden regels gesteld met betrekking tot het geheel of gedeeltelijk afbreken en uit elkaar nemen van een bouwwerk of object, het verwijderen van asbest of asbesthoudende producten uit een bouwwerk of object en het opruimen van asbest of asbesthoudende Documentnummer Revisie Revisiedatum Pagina HSE-02-L010.00 8 26-07-2012 10 van 32 REGISTER VAN RELEVANTE MILIEU WET- EN REGELGEVING producten na incidenten, zoals na een brand of een storm. Het besluit is ook van toepassing op handelingen als het slopen, onderhouden, renoveren of repareren van een bouwwerk of object waarbij asbest of asbesthoudende producten worden verwijderd. Niet in alle situaties is het inventariseren van asbest noodzakelijk. Een aantal veel voorkomende werkzaamheden met een verwaarloosbaar risico voor mens en milieu en met een routinematig karakter zijn uitgezonderd van de verplichtingen. Handelingen met betrekking tot puin, puingranulaat, bodem, grond, slib, baggerspecie en grondwater, vallen niet onder de reikwijdte van het besluit, aangezien hieromtrent regels zullen worden gesteld in het kader van de uitwerking binnen het ‘bodembeheer’. Daarnaast is het onderhavige besluit niet van toepassing op producten. Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) De internationale regels voor transport van gevaarlijke stoffen vormen het hart van de Nederlandse, publieke veiligheidszorg. Wat betreft het vervoer van (milieu)gevaarlijke stoffen is er een onderscheid in regels naar de landsituatie en vervoer over zee. In de basisregeling van de Wvgs zijn de verantwoordelijkheden van de spelers (schakels) in de keten nader uitgewerkt. De Schepenwet legt de verantwoordelijkheid voor naleving van de regels bij de kapitein. Dat wil zeggen dat de verpakker, afzender, vervoerder en de ontvanger bepaalde verantwoordelijkheden in de vervoersketen kennen, welke grotendeels door de “vertrouwensregel” worden omvat. De materiële regels voor het vervoer van stoffen zijn nader uitgewerkt in onder meer het ADR, nadere uitwerking in onder meer de Regeling vervoer over land (VLG) en de IMDG. Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen (VLG) Regeling gebaseerd op ADR richtlijn. Door de richtlijn is voor alle lidstaten van de EU de verplichting in het leven geroepen tot het implementeren van het ADR voor nationaal vervoer en voor vervoer binnen de Europese Unie. Bijlage 1 bij de VLG bestaat uit de in het Nederlands vertaalde bijlagen A en B van het ADR. Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen De wettelijke bepalingen ten aanzien van de afgifte, het vervoer en de ontvangst van afvalstoffen worden in het onderhavige besluit uitgewerkt in een nieuw meldingsstelsel. De regelingen worden in een ministeriële regeling nader uitgewerkt. Hierbij is nauw aangesloten bij de tot nu toe gevolgde provinciale praktijk. Tussen de regeling in de Provinciale milieuverordening (PMV), voor het melden en registreren van afvalstoffen, en het onderhavige besluit is een aantal verschillen. Zo is er nog maar één formulier en vervalt de vrijstelling voor groene afvalstoffen. Bij de opzet van dit besluit is de systematiek van de betreffende bepalingen in de Wm enigszins doorbroken. Allereerst zal worden ingegaan op de uitwerking van de meldingsverplichtingen. Vervolgens zal aandacht worden besteed aan de diverse administratieve verplichtingen, zoals het afvalstroomnummer en de begeleidingsbrief. Benadrukt wordt dat dit besluit gelezen moet worden in combinatie met de betreffende wetsartikelen. In veel gevallen is de norm in de Wm opgenomen en vindt in het besluit een uitwerking of afwijking van deze norm plaats. Besluit beheer winningsafvalstoffen (alleen onshore) Bevat beleid voor het beheer van afval van de winningindustrieën en heeft als doel het voorkomen van ongelukken en om duurzaam beheer van dit afval te bevorderen. Wet geluidhinder (Wgh) De Wet geluidhinder biedt onder andere geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering. Documentnummer Revisie Revisiedatum Pagina HSE-02-L010.00 8 26-07-2012 11 van 32 REGISTER VAN RELEVANTE MILIEU WET- EN REGELGEVING Handleiding ‘’Meten en rekenen Industrielawaai” 2006 In dit voorschrift is vastgelegd hoe en onder welke omstandigheden optredende geluidsniveaus in het kader van de Wet geluidhinder worden vastgesteld, hoe akoestische onderzoeken worden uitgevoerd, e.d. Dit voorschrift geldt voor het meten en/of berekenen van de geluidbelasting door industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder. Wet bodembescherming (Wbb) De Wet bodembescherming bevat de voorwaarden die (kunnen) worden verbonden aan het verrichten van handelingen op of in de bodem. De wet betreft primair de bescherming (zie NRB) en secundaire de sanering van de Nederlandse bodem. Vanuit de plicht tot milieuzorg om alle nieuwe gevallen, maar ook bestaande “oude” gevallen van verontreiniging te melden, heeft de NAM onder meer op al haar locaties bodemonderzoek uitgevoerd. Daarbij is gebleken, dat de bodem (grond en/of grondwater) op vele locaties plaatselijk verontreinigd is. Op grond hiervan zijn/worden saneringsplannen gemaakt die de basis vormen van saneringsvergunningen. Besluit bodemkwaliteit Dit besluit (voorheen het Bouwstoffenbesluit van 1999) stelt onder andere eisen ten aanzien van granulaire materialen (los of vormgegeven), die in de vorm van grond- en bouwstoffen worden toegepast. Omdat deze stoffen door onder meer uitloging de kwaliteit van bodem of oppervlaktewater aan kunnen tasten worden hieraan kwaliteitseisen gesteld, welke middels een certificaat worden aangetoond. Het besluit is daarom ingesteld op grond van de Wbb en de Wvo. Lozingenbesluit bodembescherming Het Lozingenbesluit bodembescherming (Stb. 1990, 217) is in werking sinds 1990 en is gebaseerd op de Wbb. In dit besluit worden ter bescherming van de bodem regels gesteld met betrekking tot het op of in de bodem brengen van stoffen. Voor de gas- en oliewinningindustrie is het besluit met name van belang voor het injecteren (terugvoeren) van formatiewater in reservoirs en de opslag van andere afvalstoffen als CO2. Besluit uniforme saneringen (Bus) Een systeem van algemene regels plus een melding, zoals gehanteerd in het Besluit uniforme saneringen (Bus), draagt zorg voor een uniform landelijk kader dat geschikt is voor deze eenvoudige standaardsaneringen. Het Besluit stelt exclusief eisen aan saneringen, die conform dit besluit worden uitgevoerd. Dat wil zeggen dat het niet mogelijk is bepalingen ten aanzien van deze saneringen in gemeentelijke of provinciale verordeningen op te nemen. Dit systeem heeft tevens als gevolg dat een eventuele mededeling door het bevoegd gezag met betrekking tot de juistheid van de melding géén besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) oplevert. Het Besluit bevat een uitwerking van voornamelijk procedurele voorschriften. De categorieën waarvoor dit besluit geldt worden beschreven in een ministeriële regeling. Wet voorkoming verontreiniging door schepen Betreft een kaderwet die algemene regels bevat voor het voorkomen en beperken van operationele lozingen van schadelijke stoffen in zee vanaf schepen. Documentnummer Revisie Revisiedatum Pagina HSE-02-L010.00 8 26-07-2012 12 van 32 REGISTER VAN RELEVANTE MILIEU WET- EN REGELGEVING Algemeen beleid Nationaal Milieu Beleidsplan 4 (NMP4) Het Nationaal Milieubeleidsplan 4 (NMP4) is het vierde strategische milieubeleidsplan van de nationale overheid. Het heeft een reikwijdte tot 2030 en richt zich in hoofdzaak op enkele hardnekkige milieuknelpunten. In dit NMP4 wordt de wil uitgesproken om een eind maken aan het afwentelen van milieulasten op de generaties na ons en op mensen in arme landen; de huidige westerse wijze van produceren en consumeren werkt dit afwentelen in de hand. De hoofdlijnen van het NMP4 zijn als volgt samen te vatten:  Er is in de afgelopen dertig jaar veel bereikt; veel milieuproblemen zijn opgelost of beheersbaar geworden. Toch is er, vooral op mondiaal niveau, nog steeds te weinig controle op een paar grote milieuproblemen;  Het gaat om zeven grote milieuproblemen: klimaatverandering, het verlies aan biodiversiteit, de aantasting van de natuurlijke hulpbronnen, bedreigingen van de gezondheid, bedreigingen van de externe veiligheid, aantasting van de leefomgeving en mogelijke onbeheersbare risico's;  Het NMP4 laat zien wat Nederland kan en moet doen om binnen dertig jaar deze problemen op te lossen en daarmee een duurzame samenleving te bereiken. De doelstellingen van NMP4 zijn geformuleerd in termen van de kwaliteit van leven;  De aanpak van die grote problemen vraagt grote veranderingen. Zo zal de energievoorziening op de hele wereld anders moeten. Het NMP4 wil de veranderingen actief organiseren via systeeminnovatie. Dit zijn ingrijpende activiteiten die de huidige barrières om te komen tot een duurzame samenleving wegnemen. Landelijk afvalbeheerplan (LAP) Het LAP is het nu geldende Nederlandse plan voor het beheer van afvalstoffen, inclusief gevaarlijke afvalstoffen, waarmee voldaan wordt aan de verplichtingen tot planvorming die zowel door de Kaderrichtlijn afvalstoffen als de Richtlijn gevaarlijke afvalstoffen wordt opgelegd. In het LAP worden de beleidsplannen nader uitgewerkt voor 34 sectoren. Deze sectorplannen gelden in het algemeen voor zowel gevaarlijke afvalstoffen als voor niet gevaarlijke afvalstoffen. Binnenlandse transporten van gevaarlijk afval moeten gemeld worden bij het Landelijk Meldpunt Afval (LMA). Het LMA is eind 1993 opgericht. Sinds 1 januari 1994 verwerkt het LMA de meldingen van gevaarlijk afval, waaronder scheepsafval. Nederlandse emissie-richtlijn Lucht * (NeR) Het doel van de NeR is het harmoniseren van vergunningen met betrekking tot emissies naar de lucht en het verschaffen van informatie over de stand der techniek op het gebied van emissiebeperking. De NeR geeft algemene eisen aan emissieconcentraties en uitzonderingsbepalingen voor specifieke activiteiten of bedrijfstakken. De NeR is bedoeld voor eenieder die hierbij is betrokken, zoals gemeenten en provincies, maar ook bedrijven, adviesbureaus en particulieren. De NeR heeft geen formele wettelijke status. Het is de bedoeling dat de NeR wordt gebruikt als richtlijn voor de vergunningverlening. Eventueel afwijken van de NeR is daarom mogelijk, het moet dan wel adequaat worden gemotiveerd. Naast de reguliere bepalingen uit de Nederlandse Emissie Richtlijn (NeR) geldt voor de olie- en gaswinning de Bijzonder Regeling voor de Olie- en Gaswinningindustrie, zoals opgenomen in artt. 3.5 en 28.3 van de NeR. Deze regeling is een uitvloeisel van het milieuconvenant afgesloten tussen NOGEPA en de Nederlandse overheid. Bepalingen in deze Bijzondere regeling NeR verwijzen deels naar het onderstaande Besluit Emissie-Eisen Stookinstallaties (BEES). Documentnummer Revisie Revisiedatum Pagina HSE-02-L010.00 8 26-07-2012 13 van 32 REGISTER VAN RELEVANTE MILIEU WET- EN REGELGEVING Provinciale Milieuverordening Noord-Holland In deze Provinciale Milieuverordening (PMV) staan specifieke milieuregels. Deze regels gaan o.a. over waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden, stiltegebieden en aardkundige monumenten, bodemsanering en industrieterreinen van regionaal belang ten behoeve van geluidzonebeheer. Op basis van deze regels vindt ontheffingverlening en handhaving plaats. Alle wijzigingen zijn erop gericht de vergunningverlening efficiënter en helderder te maken. Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB) De NRB geeft voor bedrijfsmatige activiteiten invulling aan het preventieve bodembeschermingbeleid. De NRB is een harmoniserend instrument voor de beoordeling van de noodzaak en redelijkheid van bodembeschermende maatregelen en voorzieningen. De NRB geeft voor bodembedreigende bedrijfsmatige activiteiten een beschrijving van geschikte combinaties van bodembeschermende voorzieningen en maatregelen gebaseerd op de stand der techniek, die is vastgelegd in kennisdocumenten en beoordelingsrichtlijnen. In de NRB staat het begrip ‘verwaarloosbaar bodemrisico' centraal. Voorzieningen en maatregelen moeten een verwaarloosbaar bodemrisico realiseren voor de duur van de bedrijfsmatige activiteiten. Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) In de richtlijnen zijn de regels opgenomen voor het omgaan met gevaarlijke stoffen waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu wordt gerealiseerd. Voor de bepaling van het vereiste beschermingsniveau is uitgegaan van de huidige stand der techniek, die geldt voor onder meer de bouwkundige uitvoering van opslagvoorzieningen, brandbestrijdingssystemen en arbeidsmiddelen. De voorschriften in de richtlijn vormen een nadere invulling van de bepalingen van de Wet milieubeheer, de Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving en het Bouwbesluit. Het bevoegd gezag kan de richtlijn toepassen bij vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer/Wabo. De Arbeidsinspectie gebruikt de richtlijn voor het toezicht op de naleving van Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving en de daarmee samenhangende beleidsregels. Onder meer de richtlijnen 3 (kwalitatieve risico- analyse), 13 (ammoniak als koudemiddel), 15 (opslag van verpakte gevaarlijke stoffen), 29 (opslag van aardolieproducten in tanks) en 30 (opslag van diesel) zijn van toepassing via vergunningen en algemene regels. 1.4 RUIMTELIJKE ORDENING Nederlandse wet- en regelgeving Wet ruimtelijke ordening (Wro) De Wro is een kaderwet voor het tot stand komen van ruimtelijke plannen op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. Ruimtelijke planvorming is een belangrijk middel voor de bescherming van de milieukwaliteit en natuurwaarden. Het bestemmingsplan vormt hiervan het belangrijkste middel. In bestemmingsplannen worden de ruimtelijke belangen van Rijk en/of provincie meegenomen en worden bestemmingen van een bepaald gebied vastgelegd. Hierbij vindt een afweging plaats tussen de betrokken belangen en wordt een goed woon- en leefklimaat nagestreefd. De Wro vormt ook de basis waarop het Rijk en provincie algemene regels kunnen uitvaardigen die landelijk dan wel regionaal gelden. Documentnummer Revisie Revisiedatum Pagina HSE-02-L010.00 8 26-07-2012 14 van 32 REGISTER VAN RELEVANTE MILIEU WET- EN REGELGEVING Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Nadere uitwerking van de Wro, met inhoudelijke vereisten. Woningwet (Wonw) Vormt niet meer de wettelijke basis voor het verkrijgen van een bouwvergunning. De bouwvergunning is vervangen door de omgevingsvergunning en vindt zijn basis in de Wabo. Bouwbesluit (versie 2012 in aantocht) Het Bouwbesluit bevat bouwtechnische vereisten waaraan bouwwerk dient te voldoen. Het bevat voor nieuw te bouwen bouwwerken de minimum bouwtechnische voorschriften omtrent veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu. Voor de bestaande bouw is het niveau van deze eisen is in de regel lager dan dat van de eisen voor nieuwbouw. Uitvoeringsbesluit rijkscoördinatieregeling energie-infrastructuurprojecten Wijst besluiten aan in verband met toepassing van de rijkscoördinatieregeling op energie- infrastructuurprojecten. Met Rijkscoordinatieregeling wordt de ruimtelijke besluitvorming en de coördinatie van alle uitvoeringsbesluiten rond deze projecten vanaf een bepaalde omvang op rijksniveau gelegd. De geldende planologische afwegingskaders blijven daarbij volledig intact, maar procedures worden gestroomlijnd en versneld door ze parallel te laten lopen en in samenhang voor te bereiden. De rijkscoördinatieregeling uit de nieuwe Wet ruimtelijke ordening is van toepassing op de volgende grote energie-infrastructuurprojecten:  Windenergie vanaf 100 MegaWatt;  Overige vormen van duurzame elektriciteitsproductie vanaf 50 MegaWatt;  Conventionele elektriciteitsproductie vanaf 500 MegaWatt;  Landelijk elektriciteitshoogspanningsnet vanaf 220 kiloVolt;  Landelijk gastransportnet met een druk van tenminste 40 bar;  Gas- en elektriciteitsconnectoren;  LNG-installaties met een capaciteit van tenminste 4 miljard kubieke meter;  Opslag in de ondergrond en opsporing en winning van delfstoffen onder gevoelige gebieden. Algemeen beleid Nota Belvedere Beleidsnota over de relatie cultuurhistorie en ruimtelijke inrichting. De nota geeft een visie op de wijze waarop met de cultuurhistorische kwaliteiten van het fysieke leefmilieu in de toekomstige ruimtelijke inrichting van Nederland kan worden omgegaan en geeft aan welke maatregelen daartoe moeten worden getroffen. Het geeft een aanvulling op het bestaande sectorale beleid. Tweede Structuurschema Militaire Terreinen *(SMT2) Het Tweede Structuurschema Militaire Terreinen (SMT-2) is een planologische kernbeslissing (nu: structuurvisie) die de hoofdlijnen bevat van het rijksbeleid voor militaire terreinen en complexen. Het ligt in het verlengde van het Eerste Structuurschema Militaire Terreinen, de beide partiële herzieningen daarvan en de Defensienota 2000. Het SMT-2 heeft een geldigheidsduur van tien jaar. De PKB is richtinggevend voor het ruimtelijk beleid van provincies en gemeenten. Doelstelling van het SMT-2 is het scheppen van de noodzakelijke ruimtelijke voorwaarden voor de gereedstelling en instandhouding van de krijgsmacht. Documentnummer Revisie Revisiedatum Pagina HSE-02-L010.00 8 26-07-2012 15 van 32 REGISTER VAN RELEVANTE MILIEU WET- EN REGELGEVING Structuurschema Buisleidingen 1985 Wordt opgevolgd door de Structuurvisie buisleidingen. Structuurvisie buisleidingen Deze bevat een lange termijnvisie op het buisleidingtransport van gevaarlijke stoffen (gas, olie, chemicaliën en CO2), zoals de reservering van ruimte voor toekomstige buisleidingen. VROM heeft een concept-visiekaart ontwikkeld met de hoofdverbindingen die van nationaal belang zijn. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt de taken en verantwoordelijkheden van de leidingexploitant en de gemeenten. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Structuurvisie Noord Holland 2040 Geeft het gewenste ruimtelijke beleid van de provincie weer. Deze gewenste ontwikkeling is richtinggevend voor de inzet van bestuurlijke, financiële en juridische instrumenten voor het bereiken van de gestelde doelen. In principe alleen juridisch bindend voor de provincie zelf. Een Verordening bevat wel bindende normen voor gemeenten. 1.5 WATER Internationale regelgeving Kaderrichtlijn Water (KRW) (geïmplementeerd in Besluit kwaliteitseisen en monitoring water 2009 en Regeling monitoring kaderrichtlijn water) De door de richtlijn vereiste kwaliteit is de zogenaamde goede watertoestand, die eind 2015 moet zijn gehaald, tenzij een legitiem beroep kan worden gedaan op één van de uitzonderingen van de KRW (zoals fasering of doelverlaging). Wat de goede watertoestand is wordt per watertype bepaald volgens wetenschappelijke criteria, zonder dat bij de bepaling daarvan rekening mag worden gehouden met maatschappelijke afwegingen. Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) In nauw verband tot de Vogel- en Habitatrichtlijn staat de Kaderrichtlijn Maritieme Strategie (“KMS”). De KMS dient als milieupeiler van het bredere maritieme beleid van de EU. Het doel van de richtlijn is het bereiken of behouden van een goede milieutoestand van het mariene milieu (waaronder ook begrepen de EEZ) uiterlijk in 2020. Nederland dient voor het gedeelte van de Noordzee waarover zij rechtsmacht heeft, een mariene strategie te ontwikkelen waarin tot uiting komt op welke wijze beoogd wordt het doel van de KMS te bereiken. Nederlandse wet- en regelgeving Waterwet (Ww) De Waterwet verschaft één integraal juridisch kader voor het waterbeheer in Nederland, inclusief het gehele Nederlandse deel van de Noordzee. Met de Waterwet is een aantal wetten samengevoegd, waaronder de Wet Verontreiniging Oppervlaktewateren, de Wet Verontreiniging Zeewater en de Wet op de waterkering. Ook is het ‘natte deel’ uit de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (“Wbr”) overgeheveld naar de Waterwet (en het Waterbesluit). Ingevolge artikel 6.5 sub c Waterwet juncto artikel 6.13 lid 1 Waterbesluit is het verboden om Documentnummer Revisie Revisiedatum Pagina HSE-02-L010.00 8 26-07-2012 16 van 32 REGISTER VAN RELEVANTE MILIEU WET- EN REGELGEVING zonder vergunning van de Minister van Infrastructuur en Milieu (sub c) installaties of kabels en leidingen te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen of (sub d) te bouwen in de Noordzee. Onder “Noordzee” dient ook begrepen te worden de Nederlandse EEZ (aldus bijlage II bij het Waterbesluit. Wet beheer rijkswaterstaatwerken (Wbr ) (watergedeelte vervangen door Waterwet) Het Rijk heeft (snel)wegen, viaducten, tunnels, bruggen en dijken in beheer. Deze 'waterstaatswerken' moeten goed beheerd en onderhouden worden, zodat ze veilig en doelmatig kunnen worden gebruikt. De Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr) geeft Rijkswaterstaat de mogelijkheid hiervoor te zorgen. In de toepassing van deze wet staat het goed functioneren van het waterstaatswerk voorop. Belangen van anderen, zoals weggebruikers, worden hier tegen afgewogen. Algemeen beleid Vierde Nota waterhuishouding (NW4) De Vierde nota waterhuishouding legt de belangrijkste beleidsdoelstellingen voor waterbeheer vast voor met name de periode 1998-2006. Het beleid vervat in de Nota is een directe voortzetting van het beleid geformuleerd in de Derde nota waterhuishouding die in 1989 is vastgesteld. Veranderingen in beleid zijn met name het gevolg van recente ontwikkelingen en te verwachten ontwikkelingen zoals klimaatverandering, zeespiegelstijging en voortgaande bodemdaling. Evenals de Derde nota waterhuishouding, gaat de Vierde nota waterhuishouding uit van integraal waterbeheer en een watersysteembenadering. De Nota is tevens gebaseerd op het stand-still-beginsel, het voorzorgprincipe en het principe dat de vervuiler betaalt. De hoofddoelstelling van de Nota is het hebben en houden van een veilig en bewoonbaar land en het instandhouden en versterken van gezonde en veerkrachtig watersystemen, waarmee een duurzaam gebruik blijft gegarandeerd. Nationaal Waterplan* (NWP) In het NWP is door de ministers van V en W, VROM en LNV het nationale waterbeleid vastgelegd. Ingevolge de Waterwet dient een dergelijk plan eens in de zes jaar te worden opgesteld. Beleidsnota Noordzee 2009-2015 Is als bijlage opgenomen bij het NWP. Hierin is het gehele Noordzeebeleid opgenomen. Dit beleid vervangt het desbetreffende onderdeel van de Nota Ruimte. De Beleidsnota Noordzee is een nadere uitwerking en onderbouwing van het NWP en geldt – omdat het deel uitmaakt van het NWP – eveneens als een structuurvisie. Integraal Beheersplan Noordzee 2015 * (IBN 2015) Uitwerking Beleidsnota Noordzee. Het IBN beoogt inzicht te geven in de samenhang van alle activiteiten op de Noordzee en schetst de ruimte voor nieuwe initiatieven. In het kader van het IBN is een uitgebreide inventarisatie en analyse van het huidige en toekomstige gebruik van de Noordzee gemaakt. Vervolgens wordt in hoofdstuk 6 een integraal afwegingskader voor vergunningplichtige activiteiten in de Noordzee geschetst. Documentnummer Revisie Revisiedatum Pagina HSE-02-L010.00 8 26-07-2012 17 van 32 REGISTER VAN RELEVANTE MILIEU WET- EN REGELGEVING 1.6 NATUUR Internationale regelgeving Overeenkomst van Bonn Regelt de samenwerking van de kuststaten van de Noordzee bij de opsporing, melding en bestrijding van verontreiniging van de Noordzee door olie en andere schadelijke stoffen. Het gaat hier om vervuiling afkomstig van schepen en installaties. De Bonn Overeenkomst is van toepassing zodra verontreiniging of dreigende verontreiniging van de zee door olie of andere schadelijke stoffen ee