Gegenereerd op: 12-07-2023 Kankerverwekkende, mutagene en reprotoxische (CMR) stoffen en processen DRV drs. R. Visser Coördinator Arbo en Veiligheid bij TNO. Bijgewerkt tot november Kankerverwekkende en mutagene stoffen moeten volgens de Nederlandse wetgeving, indien technisch mogelijk vervangen worden. Helaas is een minder schadelijk alternatief niet altijd voorhanden. Als er gewerkt moet worden met kankerverwekkende en mutagene stoffen is het dus belangrijk de blootstelling aan deze stoffen zo veel mogelijk te beperken. In deze praktijkinformatie komen onder meer de volgende vragen en onderwerpen aan bod: Hoe herken je kankerverwekkende stoffen in jouw organisatie? Hoe het zit met de nieuwe klasseindeling en CLP-etiketten? Hoe kun je blootstelling aan deze stoffen zo veel mogelijk vermijden? AI-06 Kankerverwekkende, mutagene en reprotoxische stoffen en processen (AI-06) is onderdeel van de reeks Arboinformatiebladen op Sdu HSE. Wat zijn kankerverwekkende, mutagene en reprotoxische stoffen en processen? Kankerverwekkende, mutagene en reprotoxische stoffen worden vaak CMR-stoffen genoemd. Er bestaan stoffen die kanker veroorzaken (carcinogeen), genen kunnen beschadigen (mutageen) en of schadelijk zijn voor de voortplanting of het nageslacht (reproductietoxisch). Ook processen kunnen kankerverwekkend zijn. Bij deze processen komen kankerverwekkende stoffen vrij, al is het niet geheel duidelijk welke stoffen daarvan kankerverwekkend zijn. Voor deze kankerverwekkende processen gelden dezelfde verplichtingen als voor kankerverwekkende stoffen. Wat zijn de risico’s? CMR-stoffen hebben ernstige gezondheidseffecten, vaak al bij lage blootstellingen. Wat zegt de wet? Kankerverwekkende, mutagene en reprotoxische stoffen hebben aparte aandacht in het arbeidsomstandighedenbeleid en in de arboregelgeving. In het Arbobesluit staan een aantal specifieke verplichtingen over deze CMR-stoffen. De strengste bepalingen zijn voor bewezen kankerverwekkende en https://hse.sdu.nl/content/p1-160012 1 Gegenereerd op: 12-07-2023 mutagene stoffen (H350 en H340). Deze regels gelden niet voor de verdacht kankerverwekkende en mutagene stoffen (H351 en H341). De regels voor reprotoxische stoffen gelden voor alle bewezen en verdacht reprotoxische stoffen (H360, H361 en H362). Wat betekent dit in de praktijk? Blootstelling aan kankerverwekkende, mutagene of reprotoxische stoffen komt op veel verschillende manieren voor. Niet alleen in de industrie, de bouwnijverheid, in ziekenhuizen en laboratoria maar ook in sectoren en branches waar werknemers producten gebruiken waarin deze stoffen verwerkt zijn zoals verf en lijm of de uitstoot van diesel. Het is voor werkgevers de uitdaging de blootstelling aan CMR-stoffen zoveel mogelijk te voorkomen. Dit kan het best door deze stoffen te vervangen door minder schadelijke stoffen. In de praktijkinformatie hierna besteden we naast de wetgeving veel aandacht aan de praktische invulling. 1 Introductie Bij het werken met kankerverwekkende stoffen gelden meerdere, strenge regels. In deze praktijkinformatie gaan we in op de maatregelen die je als werkgever (en werknemer) in acht zult moeten nemen bij het werken met kankerverwekkende en mutagene stoffen, alsmede bij processen waar kankerverwekkende stoffen kunnen vrijkomen. Belangrijke onderwerpen zijn onder meer: • Vervanging van kankerverwekkende en mutagene stoffen (zie paragraaf 5). • Registratie van kankerverwekkende en mutagene stoffen (zie paragraaf 4). • Medisch onderzoek (zie paragraaf 12). • Voorlichting en instructie (zie paragraaf 13).; • Jongeren en zwangere werknemers(zie paragraaf 3). • Calamiteitenplan vooraf opstellen (zie paragraaf 10) 2. Herkennen van kankerverwekkende en mutagene stoffen 2.1 De CLP De verplichting om kankerverwekkende en mutagene stoffen in te delen en te etiketteren conform de Europese verordening 1272/2008 over indeling (classification), etikettering (labelling) en verpakking (packaging), CLP, van gevaarlijke stoffen geldt sinds 1 december 2010 . Deze verordening kwam in de plaats van de Stoffenrichtlijn 67/548/EEG. De CLPverordening is de Europese uitvoering van de voorschri en die wereldwijd zijn gemaakt in het Globally Harmonized System (GHS) of Classification and Labelling of Chemicals (CLP). Kenmerk van de CLP zijn de indelingsklassen, gevaarspictogrammen, vermelding van een signaalwoord en opname van gevaarszinnen (H-zinnen) en veiligheidsaanbevelingen (P-zinnen) op het gevaarsetiket. Met ingang van 1 juni 2015 mag de etikettering en verpakking alleen geschieden conform de CLP-regels. 2.2 Kankerverwekkend https://hse.sdu.nl/content/p1-160012 2 Gegenereerd op: 12-07-2023 Onder kankerverwekkende stoffen verstaan we stoffen en mengsels die kanker veroorzaken of de incidentie van kanker doen toenemen. Ook stoffen die bij correct uitgevoerde dierproeven goed- en kwaadaardige tumoren hebben veroorzaakt, worden als kankerverwekkend voor mensen beschouwd, of ervan verdacht kankerverwekkend voor mensen te zijn, tenzij er sterke bewijzen zijn dat het mechanisme van tumorvorming voor de mens irrelevant is (definitie uit CLP, 1272-2008). Zie tabel 1. Tabel 1 Kankerverwekkendheid GHS klasse. (Bron tabel: auteur) GHS-klasse: Kankerverwekkendheid GHS-pictogram Categorie 1A en 1B Signaalwoord H-zin Opmerkingen Gevaar H350 Het verschil tussen 1A en 1B hee te maken met de mate van bewijs. Waarschuwing H351 GHS08 Categorie 2 GHS08 2.2.1 SZW-lijst Stoffen waarvan bewezen is dat ze kankerverwekkend zijn horen tot categorie 1. Verdacht kankerverwekkende stoffen zitten in categorie 2: er bestaat een mogelijk risico van kanker. Stoffen uit categorie 1, waarvoor de extra verplichtingen gelden, staan op de SZW-lijst met kankerverwekkende stoffen. De lijst bevat alle stoffen die in de Europese Unie als (bewezen) kankerverwekkend zijn beoordeeld en tevens een aantal stoffen dat door de Nederlandse Gezondheidsraad is aangemerkt als kankerverwekkend. Voorbeelden hiervan zijn ethanol en een aantal pesticiden. De lijst wordt twee keer per jaar geactualiseerd en gepubliceerd in de Staatscourant. 2.2.2 IARC-lijst Daarnaast gee ook het International Agency for Research on Cancer (IARC) een lijst uit met kankerverwekkende stoffen. Deze lijst komt niet geheel overeen met de Nederlandse SZW-lijst: op beide lijsten komen stoffen voor die niet op de andere lijst staan. De oorzaak hiervan is dat het onderzoek naar kankerverwekkendheid lastig is. Daar zijn een aantal redenen voor. Zo krijgt niet iedereen die is blootgesteld aan een kankerverwekkende stof kanker: er is dus geen één-op-één-relatie tussen blootstelling en effect, maar er is een verhoogde kans op een effect. Ook is de latentieperiode (de tijd tussen de blootstelling en het effect) vaak lang: tot wel veertig jaar bij asbest. Dat maakt het lastig om de oorzaak van kanker aan te wijzen: er zijn vaak vele mogelijke alternatieve oorzaken. 2.2.3 Genotoxisch Stoffen kunnen volgens verschillende mechanismen kanker veroorzaken in het lichaam of het vormingsproces van kanker bevorderen. Een van die manieren is de directe verandering van het DNA: de stof reageert dan met de genen in een cel. Deze stoffen noemen we dan ook genotoxisch. Van genotoxische stoffen kunnen we geen veilige drempelwaarde vaststellen waaronder de stof geen (kankerverwekkend) effect hee : ieder molecuul van de stof kan kanker veroorzaken. De blootstellingsgrenswaarden van deze stoffen zijn dan ook geen veilige waarden: het zijn risicowaarden. Dat betekent dat we accepteren dat bij blootstelling aan die concentratie (jaarlijks) 1 op de tienduizend werknemers extra overlijdt aan kanker, veroorzaakt door deze stof. 2.2.4 Kankerverwekkende processen Naast stoffen staan er ook processen op de SZW-lijst. Bij deze processen komen kankerverwekkende stoffen vrij, al is het niet geheel duidelijk welke stoffen daarvan kankerverwekkend zijn. Voor deze kankerverwekkende processen gelden dezelfde verplichtingen als voor kankerverwekkende stoffen. Er staan vijf processen op de lijst: https://hse.sdu.nl/content/p1-160012 3 Gegenereerd op: 12-07-2023 1. Vervaardiging van auramine. Auramine is een kleurstof voor de microbiologie. Auramine zelf is verdacht kankerverwekkend. 2. Werkzaamheden die blootstelling aan polycyclische aromatische koolwaterstoffen aanwezig in roet, teer of pek van steenkool, met zich brengen. 3. Werkzaamheden waarbij men wordt blootgesteld aan stof, dampen of nevels die vrijkomen bij roosting en elektroraffinage van nikkelsteen. Nikkel is ook zelf een kankerverwekkende stof 4. Procédé met sterk zuur bij de fabricage van isopropylalcohol. Isopropylalcohol kan ook op andere manieren worden gemaakt. Isopropylalcohol zelf is niet kankerverwekkend. 5. Werkzaamheden waarbij men wordt blootgesteld aan stof van hardhout. 2.3 Mutageen Onder mutagene stoffen verstaan we een stof die een mutatie op de geslachtscellen kan veroorzaken. Een mutatie is een permanente verandering in de hoeveelheid of de structuur van het genetisch materiaal in een cel. Het begrip mutatie omvat zowel erfelijke genetische veranderingen die zich op het niveau van het fenotype kunnen manifesteren, als de onderliggende DNA-veranderingen, wanneer die bekend zijn (zoals veranderingen van specifieke basenparen en chromosomale translocaties). Het begrip mutageen wordt gebruikt voor stoffen die leiden tot een verhoogde frequentie van mutaties in populaties van cellen en/of organismen (definitie uit CLP, 1272-2008). Zie tabel 2. Tabel 2 Indeling GHS-klasse mutageniteit in geslachtscellen. (Bron tabel: auteur) GHS-klasse: Mutageniteit in geslachtscellen GHS-pictogram Categorie 1A en 1B Signaalwoord H-zin Opmerkingen Gevaar H350 Het verschil tussen 1A en 1B hee te maken met de mate van bewijs. Waarschuwing H351 GHS08 Categorie 2 GHS08 Stoffen met H340 veroorzaken erfelijke genetische schade. Als een stof hiervan verdacht wordt krijgt de stof de gevaarszin H341, vergelijkbaar met H351 voor verdachte kankerverwekkende stoffen. We noemen dit effect mutageen. Mutagene stoffen kunnen het erfelijke materiaal in de cel (de chromosomen) blijvend veranderen. Meestal leidt dat tot de dood van de cel. Als deze verandering optreedt in een geslachtscel en de cel blij in leven, dan kan dit leiden tot een erfelijke afwijking bij nog niet geboren kinderen. De meeste mutagene stoffen zijn ook kankerverwekkend. De mutagene stoffen staan op de SZW-lijst met mutagene stoffen. 2.4 Reprotoxisch Stoffen die een schadelijk effect hebben op de voortplanting van mensen, zijn reproductietoxische (of kort: reprotoxische) stoffen. In het Nederlands heet dat voortplantingstoxiciteit. Onder voortplantingstoxiciteit verstaan we alle schadelijke effecten op de seksuele functie en de vruchtbaarheid van volwassen mannen en vrouwen, alsmede ontwikkelingstoxiciteit bij het nageslacht. Genetische erfelijke effecten op het nageslacht vallen onder mutageniteit in geslachtscellen, omdat het bij het huidige indelingssysteem beter wordt geacht deze effecten in een afzonderlijke gevarenklasse onder te brengen. https://hse.sdu.nl/content/p1-160012 4 Gegenereerd op: 12-07-2023 In dit indelingssysteem is voortplantingstoxiciteit onderverdeeld in: a. Schadelijke effecten op de seksuele functie en de vruchtbaarheid. b. Schadelijke effecten op de ontwikkeling van het nageslacht. Van sommige reprotoxische effecten kan niet duidelijk worden bepaald of zij de seksuele functie en de vruchtbaarheid aantasten of ontwikkelingsstoornissen veroorzaken. Stoffen met dergelijke effecten, of mengsels die deze stoffen bevatten, worden ingedeeld als reprotoxische stoffen (definitie uit CLP, 1272-2008). Als dit effect bewezen is, horen deze stoffen in categorie 1. Verdacht reprotoxische stoffen horen in categorie 2. Stoffen die schadelijk zijn via de borstvoeding (lactatie) horen in een aanvullende categorie en krijgen H362. Zie tabel 3. Tabel 3 GHS-klasse: Voortplantingstoxiciteit. (Bron tabel: auteur) GHS-klasse: Voortplantingstoxiciteit GHS-pictogram Categorie 1A en 1B Signaalwoord H-zin Opmerkingen Gevaar H360f/d Het verschil tussen 1A en 1B hee te maken met de mate van bewijs. f = Vruchtbaarheidsschade d = Schade aan het ongeboren kind Waarschuwing H361f/d f = Vruchtbaarheidsschade d = Schade aan het ongeboren kind GHS08 Categorie 2 GHS08 Aanvullende categorie voor effecten op of via lactatie H362 2.4.1 Reprotoxische effecten Er zijn twee verschillende reprotoxische effecten: verminderde vruchtbaarheid van mensen én een effect op het nog niet geboren kind. Het effect op de vruchtbaarheid kan tijdelijk, maar ook blijvend zijn. Uit onderzoek van de Universiteit van Wageningen bleek dat onder de bezoekers van voortplantingsklinieken zich relatief veel drukkers, tapijtleggers en schilders bevinden. De relatie tussen deze beroepen en het gebruik van gevaarlijke stoffen (oplosmiddelen) is dan snel gemaakt. Het blijkt dat deze stoffen vooral bij mannen een effect hebben. Stoffen kunnen ook de nog niet geboren vrucht beschadigen, waarbij het effect het grootst is in de eerste weken na de bevruchting. Bekend zijn natuurlijk de effecten van alcohol en roken. Maar ook veel andere stoffen kunnen dit effect hebben. Een indirect reprotoxisch effect hebben stoffen die via de moedermelk op het pasgeboren kind worden overgebracht. Vooral bij stoffen die zich ophopen in het vet van de moedermelk is het risico hierop groot. Deze H-zin is nog maar weinig aan stoffen toegekend. Het ministerie van SZW publiceert ook ieder half jaar een (niet-limitatieve) lijst met reprotoxische stoffen. Hierop staan zowel de bewezen als de verdacht reprotoxische stoffen. 3 Wet- en regelgeving 3.1 Arbobesluit In het Arbobesluit staan in hoofdstuk 4 Gevaarlijke stoffen en biologische agentia regels voor het werken met alle gevaarlijke stoffen. https://hse.sdu.nl/content/p1-160012 5 Gegenereerd op: 12-07-2023 In afdeling 2 ‘Aanvullende voorschri en kankerverwekkende of mutagene stoffen en kankerverwekkende processen’ staan de extra verplichtingen kankerverwekkende en mutagene stoffen. Hier staan de definities van kankerverwekkende stoffen en processen en van mutagene stoffen (art. 4.11). Def inities Arbobesluit Kankerverwekkende stoffen kunnen bij de mens kanker veroorzaken of het vormingsproces van kanker bevorderen. Dit kan gebeuren door blootstelling aan een enkelvoudige stof, bijvoorbeeld ethyleenoxide, of aan een mengsel, bijvoorbeeld benzine, dat een kankerverwekkende component (bijvoorbeeld benzeen) bevat. De vraag of een stof kankerverwekkende eigenschappen bezit, is niet altijd makkelijk te beantwoorden. Langdurig onderzoek (onder andere met proefdieren) is hiervoor nodig, en de beoordeling van de onderzoeksresultaten door deskundigen is niet in alle gevallen eenduidig. Daarom worden in veel landen nationale definities voor kankerverwekkende stoffen opgesteld en lijsten met deze stoffen samengesteld. In alle landen van de Europese Unie geldt op grond van EU-regels dezelfde definitie voor kankerverwekkende stoffen (zie hiervoor de CLP-definitie). Het Arbobesluit, art. 4.11 hanteert de volgende definities Kankerverwekkende stof: 1. Gevaarlijke stof die voldoet aan de criteria om als kankerverwekkend te worden ingedeeld in categorie 1A of 1B als bedoeld in bijlage I bij EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels; of 2. Gevaarlijke stof of procedé als bedoeld in bijlage I bij de richtlijn, alsmede een gevaarlijke stof die vrijkomt bij een in die bijlage bedoeld procedé. Kankerverwekkend proces: 1. Een proces als bedoeld in bijlage I bij de richtlijn alsmede een stof die vrijkomt bij een proces als bedoeld in bijlage I bij de richtlijn; 2. Een bij ministeriële regeling aan te wijzen proces waarbij meervoudige stoffen vrijkomen die worden ingedeeld in één van de in onderdeel b, onder 1, genoemde categorieën waarvoor voor de afzonderlijke stoffen geen concentratiegrenzen gelden. Mutagene stof: Gevaarlijke stof die voldoet aan de criteria om als mutageen in geslachtscellen te worden ingedeeld in categorie 1A of 1B als bedoeld in bijlage I bij EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels. Verder gelden voor arbeid met kankerverwekkende en mutagene stoffen nadere voorschri en ten aanzien van de risicoinventarisatie & -evaluatie (art 4.13). De werkgever dient van werknemers die arbeid verrichten met kankerverwekkende of mutagene stoffen, een namenlijst bij te houden met vermelding van de blootstelling die zij hebben ondergaan (art. 4.15). https://hse.sdu.nl/content/p1-160012 6 Gegenereerd op: 12-07-2023 Regels ten aanzien van grenswaarden zijn gesteld (art. 4.16) waarbij de werkgever verantwoordelijk is voor het vaststellen van een zo laag mogelijke grenswaarde wanneer geen wettelijke grenswaarden voorhanden zijn. Het voorkomen van blootstelling, onder andere door toepassen van vervangingsbeleid of het treffen van adequate technische maatregelen is opgenomen in artikel 4.17. Het werken in gesloten systemen is een maatregel om blootstelling aan kankerverwekkende of mutagene stoffen strikt te beperken. Wanneer dit technisch niet uitvoerbaar is, dient plaatselijke afzuiging, eventueel aangevuld met ruimteventilatie, plaats te vinden (art. 4.18). Om ongewilde blootstelling verder te minimaliseren, zijn voorschri en opgenomen (art. 4.19) om werknemers ten minste één keer per jaar voldoende voorlichting en instructies te geven over de aard van hun werk en de noodzakelijke maatregelen om een eventuele blootstelling te beperken tot een zo laag mogelijk niveau onder de grenswaarde. Markering van de werkplek is hiervan een voorbeeld. Ook het veilig opslaan, hanteren en vervoeren van de kankerverwekkende en mutagene stoffen wordt in dit artikel geregeld, evenals voorschri en over de te treffen maatregelen in het afvalstadium. Voorschri en ten aanzien van een beschikbare eetplaats en hygiënische omgang met werkkleding en persoonlijke beschermingsmiddelen zijn in artikel 4.20 gesteld. Wanneer zich – in geval van bijvoorbeeld een incident – een abnormale toename van het blootstellingsniveau voordoet, dienen een ondernemingsraad of werknemersvertegenwoordiging alsmede de betrokken werknemers onmiddellijk ingelicht te worden. Dit is geregeld in artikel 4.21. Ook regelt het Arbobesluit in artikel 4.23 hoe een arbeidsgezondheidskundig onderzoek uitgevoerd moet worden en het inzagerecht ten aanzien van de lijst van blootgestelde werknemers. Voor reprotoxische stoffen staat de extra registratieverplichting in afdeling 1, bij de ‘gewone’ gevaarlijke stoffen in artikel 4.2a Nadere voorschri en risico-inventarisatie en -evaluatie, aanvullende registratie. 3.2 Arboregeling en lijst van grenswaarden Artikel 4.20 van de Arboregeling gee uitwerking aan artikel 4.16 van het Arbobesluit door het afkondigen van een lijst met publieke grenswaarden voor bepaalde kankerverwekkende stoffen. In deze lijst, bijlage XIII, zijn grenswaarden voor kankerverwekkende stoffen vastgesteld op basis van een drempelwaarde-effect (lijst B1), en een lijst die is vastgesteld volgens een risicobenadering (lijst B2). 3.3 SZW-lijst met CMR-stoffen Het ministerie publiceert halfjaarlijks een lijst met de CMR-stoffen. Op de lijst vermeldt het ministerie de indeling volgens de CLP-verordening van de Europese Unie, aangevuld met de uitkomsten van wetenschappelijke beoordelingen van de Gezondheidsraad. In feite zijn het drie lijsten. a. Lijst met kankerverwekkende stoffen en processen. b. Lijst met mutagene stoffen. c. NIET-limitatieve lijst van voor de voortplanting gi ige stoffen. https://hse.sdu.nl/content/p1-160012 7 Gegenereerd op: 12-07-2023 Een internationaal toonaangevende lijst van kankerverwekkende stoffen is die van de IARC in Lyon. Dit International Agency for Research on Cancer is een instituut van de WHO (Wereldgezondheidsorganisatie) waar veel onderzoek wordt verricht naar kankerverwekkende stoffen. Ook deze organisatie hanteert een lijst van kankerverwekkende stoffen, en ofschoon deze lijst veel gelijkenis vertoont met de Nederlandse lijst kunnen verschillen in de lijst voorkomen. Zo staat bijvoorbeeld ethanol (ethylalcohol of ‘normaal’ alcohol) wel op de Nederlandse lijst en wordt dus als kankerverwekkend beschouwd (met alle verplichtingen die hieruit in Nederland voortvloeien), terwijl dezelfde stof niet zo wordt genoemd op de IARC-lijst noch door de Europese Unie als kankerverwekkend wordt ingedeeld. 3.4 Aparte regelgeving voor bijzondere kankerverwekkende stoffen Voor een beperkt aantal kankerverwekkende stoffen geldt een aparte regelgeving. Deze wijkt af van de aanvullende voorschri en uit afdeling 2 van hoofdstuk 4 van het Arbobesluit. Zo stelt afdeling 5 regels aan het werken met asbest, en is een verbod op het gebruik van de specifieke gezondheidsschadelijke stoffen: Propaansulton, 2-Na ylamine, 4Aminodifenyl, Benzidine en 4-Nitrodifenyl en hun zouten opgenomen in afdeling 6. 3.4.1 Asbest en crocidoliet Het bewerken, verwerken, in voorraad houden en verspuiten van asbest, asbesthoudende producten en crocidoliet is op grond van het Arbobesluit verboden. Op deze verboden gelden een aantal uitzonderingen: het gaat dan enkel om een toelaatbaar gebruik van deze stoffen onder nauwkeurig omschreven omstandigheden. Deze omstandigheden worden uitvoerig beschreven in het onderwerp Asbest. Verder gaat Asbest meer in op de vraag onder welke omstandigheden met deze stoffen gewerkt moet worden, en op de keuze en het gebruik van ademhalingsbescherming. Ook het slopen van asbest wordt uitvoerig belicht. 3.4.2 Verbod specif ieke gezondheidsschadelijke stoffen Propaansulton Vervaardiging, gebruik en in voorraad houden van propaansulton is krachtens artikel 4.58 verboden. Op dit verbod bestaan geen andere uitzonderingen dan dat het in voorraad houden van propaansulton enkel ten behoeve van doorvoer is toegestaan. 2-Na ylamine, 4-Aminodifenyl, Benzidine en 4-Nitrodifenyl en hun zouten Vervaardiging en gebruik is verboden van: • 2-na ylamine en de zouten ervan. • 4-aminodifenyl en de zouten ervan. • Benzidine en de zouten ervan. • 4-nitrodifenyl en de zouten ervan is verboden. Het in voorraad houden van deze stoffen is enkel toegestaan ten behoeve van doorvoer (art. 4.59). Het verbod op vervaardiging en gebruik van deze stoffen geldt niet indien deze stoffen in oplossing of mengsel aanwezig zijn in een concentratie kleiner dan 0,1 gewichtsprocent. In die gevallen waar het gebruik van deze specifieke kankerverwekkende stoffen wel is toegestaan, gelden onverkort de bepalingen van afdeling 1 en 2 van hoofdstuk 4 van het Arbobesluit. https://hse.sdu.nl/content/p1-160012 8 Gegenereerd op: 12-07-2023 Zandsteen Het is verboden met zandsteen te werken of dit in voorraad te houden. Het verbod geldt niet voor het verwijderen van zandsteen uit gebouwen, constructies en installaties. Ook is het toegestaan om met zandsteen te werken indien dit nodig is voor het behoud van monumenten die vallen onder de Monumentenwet van 1988 of als het om wetenschappelijk onderzoek met zandsteen gaat. In die gevallen waar het werken met zandsteen toelaatbaar is, bijvoorbeeld het slijpen van voegen, het frezen van sleuven, of het schuren van steenoppervlakken, mag dit enkel gebeuren door een bedrijf dat door de overheid is gecertificeerd voor dit werk. Zo’n certificaat wordt alleen afgegeven indien het bedrijf kan aantonen dat het de werkzaamheden op een verantwoorde wijze kan uitvoeren. Voor deze werkzaamheden gelden onverkort de bepalingen van afdeling 1 en 2 van hoofdstuk 4 van het Arbobesluit.” Zandstraalverbod Het zandstralen met een stof die meer dan 1% kwarts of een aanverwante vorm van vrij siliciumdioxide bevat, is verboden (art. 4.61). Dit stralen werd veel toegepast om grote vervuilde oppervlakken als muren, gevels, bruggen en scheepsrompen te reinigen. Voor deze werkzaamheden bestaan in de praktijk goede alternatieve methoden die minder schadelijk zijn. Op het zandstraalverbod bestaan daarom geen uitzonderingen. Verbod van benzeen en gechloreerde koolwaterstoffen Het gebruik van benzeen of van een product waarvan het gehalte aan benzeen meer dan 1 volumeprocent bedraagt als oplos-, reinigings- of verdunningsmiddel is niet toegestaan, tenzij zulks geschiedt in een gesloten systeem of op een andere wijze waardoor in tenminste gelijke mate bescherming tegen blootstelling daaraan wordt geboden. Indien van benzeen of van een product als hierboven genoemd, gebruik wordt gemaakt anders dan als oplos-, reinigingsof verdunningsmiddel, wordt dit zoveel mogelijk uitgevoerd in een gesloten systeem. Dit is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van tetrachloorkoolstof, pentachloorethaan en 1,1,2,2,tetrachloorethaan alsmede ten aanzien van een product waarvan het gehalte aan een van de vorengenoemde stoffen meer dan 1 volumeprocent bedraagt. Loodwitverbod Het is verboden om loodwit, loodsulfaat of producten die een van deze stoffen als bestanddeel bevatten, te gebruiken bij het schilderen van binnenwerk van gebouwen of vaartuigen. Als stof wordt niet beschouwd het loodsulfaat, dat bij de bereiding van chroomaatgeel is medegeprecipiteerd. Dit verbod is niet van toepassing op verven waarvan het pigment in de droge stof ten hoogste 2 gewichtsprocenten aan lood bevat. 3.5 Aparte regelgeving voor jeugdige en zwangere werknemers 3.5.1 Verbod voor jeugdigen Jeugdige werknemers, dat wil zeggen werknemers die de lee ijd van 18 jaar nog niet bereikt hebben, mogen geen werkzaamheden verrichten met kankerverwekkende stoffen en preparaten. Dit verbod op arbeid door jeugdigen geldt ook wanneer uit een risico-inventarisatie en -evaluatie blijkt dat directe blootstelling aan een kankerverwekkende stof of preparaat niet plaatsvindt, bijvoorbeeld bij het werken ermee in gesloten systemen. https://hse.sdu.nl/content/p1-160012 9 Gegenereerd op: 12-07-2023 Kankerverwekkende stoffen en preparaten moeten te herkennen zijn aan ten minste één van de volgende waarschuwingen en het nieuwe CLP-pictogram (zie tabel 1) op het gevaarsetiket op de verpakking: • Kan kanker veroorzaken. • Kan kanker veroorzaken bij inademing. Ook het (verplichte) veiligheidsinformatieblad moet nadere informatie geven over eventuele kankerverwekkende eigenschappen van het product. Een uitvloeisel van hiervan is onder andere dat het werken als pompbediende bij benzinestations niet is toegestaan voor jeugdigen onder de 18 jaar. Zie ook Jongeren en arbeid. 3.5.2 Zwangere werknemers Zie voor zwangere werknemers die met gevaarlijke stoffen op het werk te maken kunnen krijgen, Zwangerschap en arbeid. 3.6 Samenvatting In deze paragraaf wordt het wettelijk kader geschetst dat geldt voor het werken met kankerverwekkende en mutagene stoffen en bij processen waar kankerverwekkende stoffen kunnen vrijkomen. In het kort worden de artikelen van het Arbobesluit genoemd. De definities van een kankerverwekkende stof, een mutagene stof en een kankerverwekkend proces zijn opgenomen. Verder wordt in dit hoofdstuk verwezen naar twee lijsten met grenswaarden voor een beperkt aantal kankerverwekkende stoffen, een lijst die is vastgesteld op basis van het drempelwaarde effect, en een lijst die is vastgesteld volgens de risicobenadering. Ten slotte is aandacht besteed aan een aantal specifieke kankerverwekkende stoffen waarvoor een aparte regelgeving is opgenomen welke het gebruik van die stoffen verbiedt dan wel onder stringente regels toelaat. 4 Risico-inventarisatie Het werken met CMR-stoffen kan specifieke extra gezondheidsrisico’s opleveren. Daarom is het allereerste actiepunt om na te gaan of deze stof wellicht vervangen kan worden door een niet-CMR-stof. Wanneer dat aantoonbaar niet mogelijk blijkt en het gebruik van de CMR noodzakelijk is, dan moet het werken ermee zo geschieden, dat geen gezondheidsschade ontstaat. Niet direct en niet op termijn, ook niet wanneer de werkzaamheden al lang geleden zijn gestaakt. Eén middel om een gezonde werkplek te realiseren is het bewaken van een veilige grenswaarde voor blootstelling aan gevaarlijke stoffen. De overheid stelt nog maar voor een zeer beperkt aantal stoffen een wettelijke grenswaarde op, de publieke grenswaarde. Dit geldt ook voor CMR-stoffen. 4.1 Aanvullende registratie van CMR-stoffen Het Arbobesluit vereist dat de blootstelling aan alle gevaarlijke stoffen in kaart wordt gebracht en wordt getoetst aan een grenswaarde. Dit noemen we de RIE-tox (zie het onderwerp Gezondheidsrisico’s gevaarlijke stoffen). Voor CMR-stoffen is deze RIE-tox uitgebreid. De werkgever moet voor iedere CMR-stof extra gegevens bijhouden. Voor alle CMR-stoffen moet extra worden bijgehouden (Arbobesluit, art. 4.2a en art. 4.13) a. Hoeveelheid van de stof die per jaar pleegt te worden vervaardigd of gebruikt dan wel aanwezig pleegt te zijn in verband met opslag. b. Het aantal werknemers dat arbeid pleegt te verrichten op de arbeidsplaats waar de stof pleegt voor te komen. https://hse.sdu.nl/content/p1-160012 10 Gegenereerd op: 12-07-2023 c. De vorm van de arbeid die met de stof pleegt te worden verricht. Voor kankerverwekkende en mutagene stoffen moet daarboven worden bijgehouden: a. De reden waarom het gebruik van een kankerverwekkende stof strikt noodzakelijk is en vervanging technisch niet uitvoerbaar is. b. De preventieve maatregelen die zijn genomen om de blootstelling van werknemers te voorkomen of te minimaliseren. c. De persoonlijke beschermingsmiddelen die worden gebruikt. d. De gevallen waarin kankerverwekkende of mutagene stoffen worden vervangen door stoffen waarbij werknemers niet of minder worden blootgesteld. De inventarisatie van mogelijk risicovolle situaties met kankerverwekkende of mutagene stoffen is een eerste belangrijke stap om tot een maximale bescherming van werknemers te komen. Het zorgvuldig verzamelen van gegevens is daarbij noodzakelijk. 4.2 Verplichte inventarisatie van gegevens Een overzichtelijk en betrouwbaar register is behalve voor degene die een risico-evaluatie uitvoert, ook nodig voor andere direct betrokkenen zoals de werknemers zelf, de bedrijfsarts, arbodeskundigen en de ondernemingsraad. Zij willen allen een goed inzicht krijgen in de wijze waarop blootstelling aan kankerverwekkende stoffen plaats kan vinden. Van iedere kankerverwekkende of mutagene stof die in het bedrijf aanwezig is en behoort tot het bedrijfsproces, moeten onderstaande gegevens geregistreerd worden. Zie het register kankerverwekkende stoffen hierna. 4.3 Register kankerverwekkende stoffen 4.3.1. De identiteit van de stof, het mengsel of het proces Voor een enkelvoudige kankerverwekkende stof wordt de chemische naam geregistreerd, of indien de stof in bijlage VI van de Europese Verordening 1272/2008 is opgenomen, ook het bijbehorende Einecsnummer. Vermelding van een CASnummer is ook mogelijk. Bij een kankerverwekkend of mutageen mengsel: a. Wordt de handelsnaam of -namen geregistreerd. b. De chemische namen van de kankerverwekkende of mutagene component(en). c. De gewichtspercentages van deze component(en). Bij een kankerverwekkend proces: a. Een beschrijving van de aard van het kankerverwekkende proces. b. De naam en nummers van de bij het proces vrijkomende kankerverwekkende stoffen zoals aangegeven onder punt 1. https://hse.sdu.nl/content/p1-160012 11 Gegenereerd op: 12-07-2023 4.3.2 De gevaren van de stof(fen) Hier dient aangegeven te worden in welke gevarenklasse(n) de stof ingedeeld kan worden volgens de criteria die opgenomen zijn in de Verordening 1272/2008 van de EU. 4.3.3 Een motivatie voor het noodzakelijk gebruik van de stof of het proces, aangevuld met een verklaring waarom vervanging van stof(fen) of proces niet mogelijk is Aangegeven moet worden waarom toepassing van de kankerverwekkende of mutagene stof of proces noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering. Belangrijk is verder dat gemotiveerd kan worden waarom deze stof of dit proces niet vervangen kan worden door een minder gevaarlijk alternatief. Het gebruik van een kankerverwekkende of mutagene stof, of toepassing van een kankerverwekkend proces is alleen dan toegestaan indien aangetoond kan worden dat alternatieven voor de stof of voor het proces niet bestaan of niet toegepast kunnen worden. 4.3.4 De afdeling waar de stoffen zich bevinden of het proces zich afspeelt In het besluit wordt de afdeling gedefinieerd als een organisatorische eenheid binnen een bedrijf. 4.3.5 De hoeveelheid van de stof die op jaarbasis aanwezig is voor gebruik of geproduceerd wordt en de frequentie van toepassing van het proces Hierbij gaat het om de hoeveelheid per kalenderjaar in het bedrijf aanwezige kankerverwekkende of mutagene stoffen die opgeslagen zijn, gebruikt worden, geproduceerd worden of ontstaan bij een proces. Bij een kankerverwekkend proces gaat het om de frequentie waarmee het proces per jaar wordt toegepast. 4.3.6 De aard van de verrichte werkzaamheden Beschreven moet hier worden bij welke werkzaamheden blootstelling verwacht kan worden. Het gaat hierbij om een korte omschrijving van de werkzaamheden of handelingen die verricht worden. 4.3.7 Het aantal werknemers dat blootgesteld kan worden Allereerst moet het aantal werknemers geregistreerd worden dat zelf met kankerverwekkende of mutagene stoffen werkt; daarnaast ook die werknemers die mogelijk (incidenteel) met deze stoffen in aanraking kunnen komen. Een voorbeeld van deze laatste groep is het onderhoudspersoneel dat af en toe op plaatsen komt waar deze stoffen aanwezig zijn of ontstaan. 4.3.8 De manier waarop werknemers blootgesteld kunnen worden Het gaat hier om de blootstelling die plaats zou vinden wanneer geen beschermende maatregelen getroffen waren, de zogenoemde potentiële blootstelling. Dit betekent dat nagegaan moet worden of deze blootstelling plaats kan vinden door inademing van damp, nevel of aerosol, via de huid of door opname in de mond. Bij een mogelijke blootstelling aan meer dan één stof moet rekening gehouden worden met eventuele versterkende effecten die deze stoffen op elkaar uitoefenen. Inventarisatie van deze gegevens gee inzicht in de omvang van de kans dat werknemers met de stof in aanraking kunnen komen. Tevens gee het een indicatie over de ernst van een eventuele blootstelling. De blootstellingskans wordt bepaald door een drietal factoren: https://hse.sdu.nl/content/p1-160012 12 Gegenereerd op: 12-07-2023 1. De aard van de verrichte werkzaamheden, zie hiervoor 4.3.6. 2. De mate waarin de stof kan vrijkomen. 3. De fysische eigenschappen van de kankerverwekkende stof. Om inzicht te krijgen in de blootstellingskans moet bekend zijn of a. De handelingen met de stof handmatig, geautomatiseerd of mechanisch plaatsvinden. b. Er in een open of gesloten systeem wordt gewerkt. c. De gebruikte of vrijkomende kankerverwekkende of mutagene stof in vaste, vloeibare, of gasvormige toestand verkeert: • Gaat het om een vaste stof, is er dan makkelijk verspreiding mogelijk door verstuiving van poeders, kristallen of schilfers? • Als het een vloeistof betre , is er dan een kans op het vrijkomen van spatten of druppels, kan er makkelijk een damp gevormd worden (let op de dampspanning en het kookpunt van de vloeistof)? • Wanneer de kankerverwekkende of mutagene stof in dampvorm voor kan komen, zijn er dan situaties denkbaar van ontsnapping van een dampwolk die stijgt (relatieve dichtheid van een damp/luchtmengsel < 1), blij hangen (relatieve dichtheid = 1) of uitzakt (relatieve dichtheid > 1)? Kunnen nevels en/of aerosolen gevormd worden? Beoordeling van bovenstaande situaties kan helpen om eventuele blootstelling vooraf in te schatten. 4.3.9 Welke beschermende maatregelen zijn getroffen? Om iedere eventuele blootstelling aan een kankerverwekkende of mutagene stof te voorkomen, moeten bepaalde maatregelen getroffen worden. Het gaat hierbij vooral om de specifieke maatregelen die zijn beschreven in paragraaf 7, de instelling van gevarenzones, maatregelen bij calamiteiten en het geven van voorlichting en instructie. De te treffen maatregelen omschrijven we hier kort naar aard en inhoud ervan. Als voorbeeld van mogelijke maatregelen zijn te noemen: • Uitvoering van de werkzaamheden in een gesloten systeem. • Toepassing van ruimtelijke afzuiging. • Het beschikbaar stellen van de juiste persoonlijke beschermingsmiddelen, zoals een ademhalingsbescherming met een juist filtertype, beschermende handschoenen van een soort dat de betreffende stof niet doorlaat. • Het opstellen en bekendmaken van procedures bij bijvoorbeeld vervanging van procesomstandigheden, vervoer en opslag van bijproducten, enzovoort. 4.4 Samenvatting Om de risico’s van het werken met kankerverwekkende en mutagene stoffen te kunnen inschatten, moeten verschillende gegevens geïnventariseerd worden. Deze inventarisatie betre het verzamelen van gegevens over de stoffen waarmee gewerkt wordt, gegevens over het werkproces en gegevens over de mogelijke blootstelling die tijdens het werk opgelopen kan worden. Zowel de manier waarop dit kan gebeuren als de kans op de blootstelling moet in kaart gebracht worden; om https://hse.sdu.nl/content/p1-160012 13 Gegenereerd op: 12-07-2023 de blootstellingskans vervolgens goed in te kunnen schatten dient een aantal werksituaties nagelopen en beoordeeld te worden. Een ander belangrijk gegeven dat bij de inventarisatie meegenomen moet worden, is een motivatie waarom een gebruikte kankerverwekkende of mutagene stof niet vervangen is door een stof met minder gevaarlijke eigenschappen. 5 Voorkomen van blootstelling Je bent als werkgever verplicht jouw werknemers tegen blootstelling aan CMR-stoffen te beschermen. Bij de keuze van preventieve maatregelen volg je de arbeidshygiënische strategie. Voor kankerverwekkende en mutagene stoffen geldt een vervangingsplicht. Voor reprotoxische stoffen is deze verplichting minder expliciet in het Arbobesluit opgenomen. 5.1 Vervangingsplicht Het gebruik van kankerverwekkende en mutagene stoffen moet je zo veel mogelijk vermijden. Je moet daartoe het proces of de werkwijze beoordelen en waar mogelijk zodanig vervangen of aangepassen, dat de nieuwe situatie aantoonbaar tot een meer gezonde en veilige situatie leidt. Let op: Deze vervangingsverplichting geldt ongeacht de mate van blootstelling aan de betreffende stof bij de werkzaamheden. Alleen wanneer vervanging (of aanpassing) technisch niet uitvoerbaar is, wordt het gebruik van deze stoffen toegestaan. Onder technisch uitvoerbaar wordt in dit verband verstaan: het inzetten van de best beschikbare technieken, dat wil zeggen het toepassen van die bestaande technieken die in de betrokken situatie tot een betere bescherming van de werknemers leiden. Je bent als werkgever alleen van deze stap vrijgesteld wanneer aantoonbaar is dat de inzet zou leiden tot minder goede producten of diensten. Voorbeelden waar vervanging mogelijk is Bij gebruik van een kankerverwekkende of mutagene moet de werkgever duidelijk kunnen maken waarom vervanging van de stof niet hee plaatsgevonden. Omdat de praktijk uitwijst dat veel stoffen te vervangen zijn, levert onderzoek hiernaar vaak goede resultaten op. Zo blijkt bijvoorbeeld dat de kankerverwekkende stof 2-acetylaminofluoreen in veel processen vervangen kan worden door de chemisch verwante stof 4-acetylaminofluoreen, die niet kankerverwekkend is. Andere voorbeelden zijn het vervangen van benzeen als oplosmiddel door tolueen, het vervangen van benzine of diesel als brandstof door elektriciteit en de vervanging van een kwartshoudend slijpmiddel door een kwartsvrij product op basis van gebrande porseleinaarde. Let op: Niet zelden blijkt onderzoek naar een vervangende stof een investering te zijn die zich op termijn door de marktwerking terugverdient. Voorbeelden waarbij vervanging niet goed mogelijk is https://hse.sdu.nl/content/p1-160012 14 Gegenereerd op: 12-07-2023 Er zijn situaties denkbaar waarbij vervanging niet goed mogelijk is, bijvoorbeeld: 1. Bij kankerverwekkende stoffen die geproduceerd worden om als medicijn bij kankertherapie te gebruiken, de zogenoemde cytostatica. 2. Wanneer een bepaald productieproces niet zonder de betreffende kankerverwekkende of mutagene stof een gelijkwaardig eindproduct kan opleveren, bijvoorbeeld de toepassing van cadmium in bepaalde producten, de aanwezigheid van benzeen in benzine, het lassen van roestvrij staal waarbij chroomdampen kunnen vrijkomen. 3. Bij onderzoek in laboratoria is het gebruik van kankerverwekkende of mutagene stoffen soms onvermijdelijk, bijvoorbeeld wanneer het als een teststof of standaard wordt gebruikt. Let op: In verschillende bedrijfstakken zijn afspraken gemaakt over vervanging van kankerverwekkende stoffen. De Arbeidsinspectie zal in haar handhavingsbeleid deze vervangingsmogelijkheden beschouwen als de stand van de techniek voor wat in een bepaalde bedrijfstak aan vervanging technisch mogelijk is. Raadpleeg daarom de brancheorganisatie voor concrete informatie. 5.2 Samenvatting In deze paragraaf wordt de meest effectieve maatregel belicht die getroffen kan worden om blootstelling aan kankerverwekkende stoffen te voorkomen, namelijk door deze stoffen te vervangen door niet-kankerverwekkende stoffen. Indien dit technisch mogelijk is, is vervanging verplicht. In verscheidene bedrijfstakken zijn daarom afspraken over vervanging van kankerverwekkende stoffen gemaakt met de overheid. Alleen wanneer aangetoond kan worden dat vervanging technisch niet mogelijk is, wordt het gebruik van kankerverwekkende stoffen door de Arbeidsinspectie getolereerd. Uiteraard wordt er dan streng op toegezien dat dit gebruik geschiedt in overeenstemming met de regelgeving van het Arbobesluit. 6 Beoordeling blootstelling Indien vervanging van de stof technisch niet mogelijk is en blootstelling van werknemers in de praktijk wel mogelijk blijkt, dan moeten de aard, mate en duur van de blootstelling beoordeeld worden. Deze verplichting geldt voor alle gevaarlijke stoffen. 6.1 Bepaling van de blootstelling: de aard, mate en duur Bij het opzetten van een programma voor het beoordelen van de blootstelling aan gevaarlijke stoffen is het verstandig de prioriteit te leggen bij de meest gevaarlijke stoffen. De CMR-stoffen zijn hiervoor een goede kandidaat. Bij het bepalen van de mate en duur van de blootstelling moet in elk geval het gemiddelde blootstellingsniveau op de werkplek bepaald worden. Het blootstellingsniveau wordt gedefinieerd als ‘de hoeveelheid van de stof waaraan over 8 uur wordt blootgesteld op de werkplek’. Vindt deze blootstelling plaats door inademing, dan wordt het blootstellingsniveau uitgedrukt in concentraties in de inademingszone van de werkpleklucht, dat wil zeggen in ppm of mg/m3. Let erop dat luchtmetingen op de werkplek moeten gebeuren volgens geschikte en genormaliseerde meetmethoden. Let op: Naast blootstelling door ingeademde lucht, kan er ook blootstelling optreden door contact van de kankerverwekkende of mutagene stof met de huid of via opname door de mond. Dit laatste kan bijvoorbeeld geschieden https://hse.sdu.nl/content/p1-160012 15 Gegenereerd op: 12-07-2023 door het eten op de werkplek. Daarnaast kan blootstelling ook indirect plaatsvinden, bijvoorbeeld via verontreinigde voorwerpen of kleding. Of opname van een kankerverwekkende of mutagene stof via de huid kan gebeuren, hangt onder andere af van • De aard van de stof. • Het voorkomen van de stof: vloeistoffen (vooral stroperige), vaste stoffen en nevels veroorzaken doorgaans een grotere huidblootstelling dan gassen, dampen en rook. • De aard van de werkzaamheden (kan er regelmatig huidcontact optreden?). Voorbeelden opname via de huid Kankerverwekkende stoffen die ook via de huid opgenomen kunnen worden, zijn bijvoorbeeld benzeen (ook als damp), hydrazine, chroomtrioxide en epichloorhydrine. Het gevaarsetiket op de verpakking van deze stoffen moet dit dan ook vermelden, evenals het veiligheidsinformatieblad. Van onder andere PAK’s (polycyclische aromatische koolwaterstoffen) en arseen is verder bekend dat deze bij blootstelling (op den duur) huidkanker kunnen veroorzaken. Voor sommige stoffen, zoals PAK’s, bestaan huidmonitoringstechnieken die een schatting kunnen geven van de huidbelasting onder specifieke werkomstandigheden. Met behulp van zogenoemde biologische monitoringsmethoden (dit zijn methoden om in het lichaam van blootgestelde personen de hoeveelheid opgenomen stof te bepalen) kan men de mate van huidbelasting goed schatten. Het is raadzaam om de aard, mate en duur van de blootstelling niet alleen per individuele werknemer te registreren, maar ook de werksituatie, taak of functie vast te leggen die met de blootstelling verband houdt. Hiermee ontstaat een beeld van blootstellingssituaties dat minder persoonsgebonden is en daardoor toegankelijker is voor de vaststelling van waar gevarenzones (zie paragraaf 9) moeten worden ingesteld en welke (toekomstige) werknemers in aanmerking komen voor plaatsing op de lijst van blootgestelde werknemers (zie paragraaf 6.4) en het arbeidsgezondheidskundig onderzoek (zie paragraaf 12). Ten aanzien van dit laatste punt biedt een blootstellingsprofiel een goede basis om vast te kunnen stellen bij welke werknemers een aanvangsonderzoek zinvol is. 6.2 Stappenplan voor de beoordeling van de blootstelling Een eenvoudig stappenplan om mogelijke blootstellingssituaties eerst globaal en vervolgens gedetailleerd te kunnen beoordelen, beschrijven we hierna. Deze stapsgewijze benadering bij het uitvoeren van een beoordeling is gebaseerd op de strategie uit het normblad NEN-EN 689 Blootstelling op de werkplek - Meting van de inhalatieblootstelling aan chemische stoffen - Strategie om te voldoen aan de arbeidshygiënische blootstellingsgrenswaarden. De norm is in 2018 herzien. De in de norm voorgestelde aanpak bestaat uit een initiële werkplek blootstellingsbeoordeling en daarna in de tijd periodieke herbeoordelingen. Die periodieke herbeoordelingen zijn bedoeld om te borgen dat de situatie nog steeds veilig is. Dit omdat situaties kunnen veranderen, werkzaamheden kunnen wijzigen of de bescherming die ventilatievoorzieningen biedt kan teruglopen. De initiële werkplek blootstellingsbeoordeling bestaat uit de volgende acht stappen: https://hse.sdu.nl/content/p1-160012 16 Gegenereerd op: 12-07-2023 1. Karakterisering van de werkplekken (basic characterization.) 2. Vaststellen van homogene functiegroepen. 3. Opstellen van een geschikt meetplan. 4. Uitvoeren blootstellingsmetingen (personal air sampling (PAS)). 5. Validatie van de meetresultaten en homogene functiegroepen. 6. Vergelijking van de meetresultaten met de grenswaarden. 7. Verslaglegging; opstellen meetrapport. 8. Herhalingblootstellingsbeoordeling. Zie voor een toelichting op deze stappen het Safety artikel Nieuwe norm NEN-EN-689 - Blootstelling op de werkplek beoordelen op deze website. 6.3 Grenswaarden Blootstelling aan kankerverwekkende en mutagene stoffen moet worden voorkomen of beperkt. Van dit vertrekpunt dient altijd uitgegaan te worden. In de praktijk kan het gebeuren dat het voorkomen niet volledig haalbaar is en blootstelling te verwachten valt. Het Arbobesluit regelt in artikel 4.16 (Grenswaarden) welke grenzen in elk geval aan de blootstelling worden gesteld door middel van de wettelijke grenswaarden. In dit verband moet in het oog gehouden worden dat de kankerverwekkende werking van stoffen onderscheiden kan worden in een genotoxische en een niet-genotoxische werking. Genotoxische en een niet-genotoxische werking Niet-genotoxisch Bij de niet-genotoxische werking komt het proces van kankervorming tot uiting via afwijkingen aan de cellen; bij de genotoxische werking echter veroorzaken de materiaal dat in de cellen ligt opgeslagen, het DNA. Blootstelling aan niet-genotoxische kankerverwekkende stoffen levert geen risico voor de gezondheid op, indien de blootstelling beneden een zekere drempelwaarde blij . Voor deze categorie stoffen kan daarom een grenswaarde vastgesteld worden die niet boven de drempelwaarde uitkomt. Voorbeelden van dergelijke stoffen zijn siliciumdioxide (kwarts), cadmium en het in de jaren vij ig van de vorige eeuw op grote schaal gebruikte geneesmiddel diethylstilboestrol (DES). Genotoxisch Genotoxische kankerverwekkende stoffen kennen daarentegen geen veilige drempelwaarde. Dat wil zeggen dat iedere mate van blootstelling aan zo’n stof, hoe gering ook, tot het ontstaan van kanker kan leiden. Blootstelling aan deze categorie stoffen moet altijd zo laag mogelijk worden gehouden en mag de grenswaarde in ieder geval nooit overschrijden. https://hse.sdu.nl/content/p1-160012 17 Gegenereerd op: 12-07-2023 De grenswaarde is voor deze stoffen zo gekozen, dat - uitgaande van het maximaal haalbare voor bedrijven waar dergelijke stoffen worden gebruikt - het risico voor de gezondheid zo klein mogelijk wordt gehouden. Vrijwel alle kankerverwekkende stoffen in de lijst zijn genotoxische stoffen. De overheid stelt regels met betrekking tot de grenswaarden waarboven het (gemiddelde) blootstellingsniveau aan kankerverwekkende en mutagene stoffen en processen niet mag uitgaan. Een grenswaarde moet gezien worden als het wettelijke maximumniveau dat gesteld wordt aan de blootstelling aan een gevaarlijke stof. Het gaat hierbij om de blootstelling die zich voor zou doen wanneer geen persoonlijke beschermingsmiddelen gebruikt zouden worden. Een wettelijke grenswaarde van een kankerverwekkende stof mag niet overschreden worden. Om hieraan te voldoen moeten meer maatregelen ter beheersing van de blootstelling getroffen worden dan enkel het toepassen van persoonlijke beschermingsmiddelen. Voorbeeld benzinedampen De wijze om de blootstelling aan bijvoorbeeld benzinedampen tot beneden de grenswaarde te beperken, mag niet uitsluitend geschieden door het verstrekken van een filter voor ademhalingsbescherming aan werknemers. Het is verplicht om eerst na te gaan of het treffen van technische maatregelen als het werken in een gesloten systeem, het aanbrengen van ruimtelijke en/of plaatselijke afzuiging uitvoerbaar is. Bij een overschrijding van het maximum van het blootstellingsniveau is het verplicht om onmiddellijk die maatregelen te treffen die de blootstelling tot (onder) het toelaatbare niveau terugbrengt. Dit moet gebeuren in overeenstemming met de algemene uitgangspunten voor beheersing van de blootstelling. Het treffen van technische en organisatorische maatregelen zal hiervoor nodig zijn. Zolang de onmiddellijk te treffen maatregelen niet volledig afgerond zijn, moeten doeltreffende maatregelen getroffen worden om gezondheidsschade bij werknemers te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld het uitdelen van geschikte persoonlijke beschermingsmiddelen zijn. 6.4 Lijst van blootgestelde werknemers Uit de beoordeling van de blootstelling moet naar voren komen welke werkzaamheden een zodanige blootstelling aan een kankerverwekkende of mutagene stof met zich mee kan brengen, dat sprake is van een gevaar voor de gezondheid. Aanbevolen wordt om dit in overleg met een arbodeskundige en een personeelsfunctionaris te inventariseren. Wanneer zo’n situatie zich voordoet, moet een lijst aangelegd worden met de namen van die werknemers van wie de gezondheid gevaar loopt, of kan lopen. Dit zijn dus vooral die werknemers die incidenteel of regelmatig werkzaamheden met kankerverwekkende of mutagene stoffen verrichten. Behalve de naam wordt ook de blootstelling van de werknemer vermeld. Iedere werknemer moet op elk moment inzage kunnen krijgen in deze lijst. Let op: De lijst met namen en blootstellingsgegevens moet de werkgever 40 jaar bewaren. 6.5 Samenvatting https://hse.sdu.nl/content/p1-160012 18 Gegenereerd op: 12-07-2023 Wanneer uit de risico-inventarisatie naar voren komt dat blootstelling aan kankerverwekkende of mutagene stoffen niet uitgesloten kan worden, dan moeten de aard, de duur en de mate van de deze blootstelling in kaart gebracht worden. De eerste gegevens hiervoor zijn al in de risico-inventarisatie aan het licht gekomen. Vervolgens moet het gemiddelde blootstellingsniveau bepaald worden waarmee het blootstellingsprofiel in kaart is gebracht. Deze paragraaf gee aan hoe de blootstellingssituaties stap voor stap beoordeeld kunnen worden. Wanneer blootstelling niet voorkomen kan worden, geven de grenswaarden voor kankerverwekkende stoffen aan welke limiet aan de blootstelling gesteld is. In dit verband wordt kort ingegaan op twee van elkaar verschillende manieren waarop de werking van kankerverwekkende stoffen berust, namelijk de genotoxische en de niet-genotoxische werking. Tot slot komt aan de orde dat er een lijst van blootgestelde werknemers opgesteld moet worden 7. Maatregelen ter beheersing van de blootstelling Alvorens actie te ondernemen om de blootstelling te minimaliseren, moet je goed in het oog houden dat het Arbobesluit gebaseerd is op enkele algemene uitgangspunten die in alle gevallen van kracht zijn; onder meer hebben deze betrekking op het gebruik van zo weinig mogelijk van de kankerverwekkende of mutagene stof en een zo kort mogelijke blootstelling. Wanneer uit een meting of beoordeling blijkt dat het blootstellingsniveau de wettelijke grenswaarde overschrijdt, moet je onmiddellijk maatregelen treffen die de blootstelling terug brengt tot onder het niveau van de grenswaarde. Maar ook wanneer blijkt dat de blootstelling onder de grenswaarde nog enig risico op gezondheidsschade oplevert, moet je aanvullende maatregelen treffen om dit risico zo veel mogelijk te minimaliseren. Artikel 4.18 (Voorkomen of beperken van blootstelling) van het Arbobesluit verplicht de werkgever om de maatregelen na te lopen die hiervoor in aanmerking komen. Hierbij is er geen vrijheid van handelen, maar geldt er een verplichte rangorde in maatregelen die met voorrang op technische haalbaarheid beoordeeld moet worden. Dat wil zeggen dat de maatregelen trapsgewijs op haalbaarheid nagegaan moeten worden. Uiteraard vervallen deze maatregelen indien je erin slaagt om de kankerverwekkende of mutagene stof te vervangen door een minder gevaarlijk alternatief. 7.1 Niveaus van maatregelen Het is verplicht om de maatregelen zo dicht mogelijk bij de bron te treffen, bij voorkeur door het werken met de stof in een gesloten systeem. Dit is een eerste-niveaumaatregel. Afdalen naar één niveau lager is pas dan toegestaan indien het realiseren van het bovenliggende niveau technisch niet mogelijk is. De na te lopen maatregelen zijn in niveau van volgorde: • 1e niveau: gesloten systeem. • 2e niveau: plaatselijke afvoer van de lucht eventueel aangevuld met ventilatie. • 3e niveau: scheiding van mens en bron. • 4e niveau: toepassen van persoonlijke beschermingsmiddelen. Zorg ervoor dat je iedere niveaumaatregel op effectiviteit toetst! Dit houdt in dat elke keer nadat je maatregelen hebt getroffen, je beoordeeld of het blootstellingsniveau zodanig teruggebracht is dat: a. Aannemelijk gemaakt kan worden dat de wettelijke grenswaarde niet overschreden wordt. https://hse.sdu.nl/content/p1-160012 19 Gegenereerd op: 12-07-2023 b. Het risico voor de gezondheid van werknemers in voldoende mate beperkt of voorkomen is. Het stapsgewijs nalopen van de niveaumaatregelen wordt daarmee een cyclisch proces. 7.2 Eerste niveau: gesloten systeem De eerste maatregel die je moet bekijken, ligt bij de bron van blootstelling. Het gaat hierbij om het werken met de kankerverwekkende of mutagene stof in een gesloten systeem plaats te laten vinden. Pas wanneer je de mogelijkheid van deze optie hebt bekeken, en als technisch onhaalbaar hebt beoordeeld, dan pas komt het tweede niveau in aanmerking om toe te passen. 7.3 Tweede niveau: ventilatie en recirculatie-eisen Bij het nemen van maatregelen volgens de Arbeidshygiënische strategie kan worden gekozen voor ventilatie, het tweede niveau van maatregelen. Bij het gebruik van een afzuiginstallatie of afzuigkast stelt het Arbobesluit eisen als de afgezogen lucht weer in de werkruimte komt .Indien nodig kan de plaatselijke ventilatie aangevuld worden met ruimtelijke ventilatie. De afgevoerde lucht moet daarbij gezuiverd worden en mag slechts teruggevoerd worden naar dezelfde werkplek (recirculatie) indien je kunt aantonen dat hierin de concentratie aan kankerverwekkende, mutagene of sensibiliserende stoffen ten hoogste één tiende van de voor die stof vastgestelde publieke of private grenswaarde bedraagt. Deze recirculatie-eisen gelden dus in algemene zin voor stoffen die zijn voorzien van de gevarenaanduidingen H 350 (Kan kanker veroorzaken), H 340 (Kan genetische schade veroorzaken), H 334 (Kan bij inademing allergie- of astmasymptomen of ademhalingsmoeilijkheden veroorzaken) of H 317 (Kan een allergische huidreactie veroorzaken). 7.4 Derde niveau: scheiding van mens en bron Als ventilatie niet of te weinig bijdraagt aan vermindering van de blootstelling (bijvoorbeeld omdat die op een andere manier dan via de lucht plaatsvindt), moeten maatregelen getroffen worden van het derde niveau. Op dit niveau dienen mens en bron gescheiden te worden. Bovenstaande drie niveaus van maatregelen moeten de blootstelling doeltreffend beheersen. Van een doeltreffende beheersing kan echter geen sprake zijn indien: 1. De blootstelling aan een cytotoxische (niet-genotoxische) kankerverwekkende stof de wettelijke grenswaarde overschrijdt. 2. De blootstelling aan een genotoxische kankerverwekkende stof de wettelijke grenswaarde overschrijdt, en bovendien de blootstelling niet zover beneden deze grenswaarde ligt als technisch mogelijk is. 3. Er kans op huidcontact bestaat met een kankerverwekkende of mutagene stof die direct kankerverwekkend is voor de huid, of via de huid in het lichaam kan worden opgenomen (stof met een huidnotatie). 4. Er kans op huidcontact bestaat met een kankerverwekkende of mutagene stof, die behalve aan de criteria voor H 350 (Kan kanker veroorzaken) of H 350i (Kan kanker veroorzaken bij inademing), of aan de criteria voor H 340 (Kan genetische schade veroorzaken), ook voldoet aan de criteria voor toekenning van onderstaande waarschuwingszinnen of veiligheidsaanbevelingen van de Europese verordening voor gevaarlijke stoffen (CLP): H 312, H 311, H 310, H 314, H 315, H 317 en P 281. https://hse.sdu.nl/content/p1-160012 20 Gegenereerd op: 12-07-2023 Kankerverwekkende en mutagene stoffen die aan punt 4 voldoen, zijn te herkennen aan vermelding van de volgende waarschuwingen op het afleveringsetiket op de verpakking: 5. • Schadelijk bij contact met de huid (H 312). • Gi ig bij contact met de huid (H 311). • Dodelijk bij contact met de huid (H 310). • Veroorzaakt ernstige brandwonden en oogletsel (H 314). • Veroorzaakt huidirritatie (H 315). • Kan een allergische huidreactie veroorzaken (H 317). • De nodige persoonlijke beschermingsmiddelen gebruiken (P 281). Er kans op oogcontact bestaat met een kankerverwekkende stof die behalve aan de criteria voor H 350 (Kan kanker veroorzaken) of H 350i (Kan kanker veroorzaken bij inademing) ook voldoet aan de criteria voor toekenning van onderstaande zinnen: H 314, H 319, H 318, P 280. Deze stoffen zijn te herkennen aan de vermelding van de volgende waarschuwingen en aanbeveling op het afleveringsetiket: • Veroorzaakt ernstige brandwonden en oogletsel (H 314). • Veroorzaakt ernstige oogirritatie (H 319). • Veroorzaakt ernstig oogletsel (H 318). • Oogbescherming/gezichtsbescherming dragen (P 280). Pas nadat vastgesteld is dat een doeltreffende beheersing niet gerealiseerd blijkt na uitvoering van de eerste drie maatregelniveaus, kun je overgaan naar het vierde niveau: het verstrekken van persoonlijke beschermingsmiddelen. 7.5 Vierde niveau: persoonlijke beschermingsmiddelen Als laatst te nemen maatregel om de blootstelling te beheersen geldt het dragen van persoonlijke beschermingsmiddelen. Het gebruik ofwel het dragen hiervan door werknemers is verplicht. Toepassing van persoonlijke beschermingsmiddelen is geen blijvende eindoplossing. Het gebruik ofwel dragen ervan mag niet langer duren dan strikt noodzakelijk is. Je moet bekijken op welke wijze adequate beheersing van de blootstelling met maatregelen uit een van de drie eerstgenoemde niveaus mogelijk is. Zie ook het onderwerp Persoonlijke beschermingsmiddelen. 7.5.1 Doeltreffende ademhalingsbescherming De keuze welke ademhalingsbescherming een doeltreffende bescherming biedt tegen inademing van kankerverwekkende en mutagene stoffen, is niet makkelijk. Daarom wordt ter beoordeling van de effectiviteit ervan het middel afgezet tegen de arbeidsbelasting waarbij het werkzaam is. Niet elk middel is altijd even effectief in uiteenlopende werkomstandigheden. Daarom kan de door de leverancier op te geven nominale protectiefactor (NPF) aangeven welk middel onder de gegeven omstandigheden te verkiezen is. https://hse.sdu.nl/content/p1-160012 21 Gegenereerd op: 12-07-2023 Om ademhalingsblootstelling aan genotoxische kankerverwekkende stoffen te voorkomen, worden bepaalde eisen gesteld aan het filtermasker. Dit moet minimaal een volgelaatsmasker zijn met een P 3 SL-stoffilter. Let op: Gebruik van een filtermasker of filtergelaatsscherm is niet geschikt als de concentratie van de verontreiniging meer dan één volumeprocent bedraagt, omdat de filtrerende werking dan ontoereikend is. 7.5.2 Doeltreffende huidbescherming Ook de keuze van het juiste beschermingsmateriaal voor de huid moet per stof gemaakt worden. Lang niet elk materiaal biedt voldoende bescherming tegen een willekeurige stof, omdat de stof bijvoorbeeld makkelijk door het materiaal heen kan dringen en zo toch de huid bereikt, of omdat het beschermingsmateriaal door contact met de stof aangetast wordt en zijn elasticiteit verliest, waardoor het ineens kan gaan scheuren. Daarnaast spelen ook de aard en de duur van de werkzaamheden een belangrijke rol; de beschermende materiaalsoorten kennen namelijk nagenoeg allemaal een zogenoemde ‘doorslagtijd’. Dit is de tijd die nodig is voordat de stof door het beschermende materiaal is heengedrongen en in contact met de huid komt, Zo zal bij werkzaamheden met hydrazineoplossing, een stof die door de huid wordt opgenomen, het materiaal van beschermende handschoenen uit butylrubber, pvc of een speciale laminaatsoort moeten bestaan, omdat alleen deze materialen voldoende bescherming bieden tegen deze oplossing. Wanneer het daarentegen gaat om werkzaamheden met bijvoorbeeld de stof ethyleendibromide die eveneens door de huid wordt opgenomen, dan dienen de beschermende handschoenen te bestaan uit het materiaal polyvinylalcohol (PVA), omdat toepassing van andere materiaalsoorten minder betrouwbaar is. Vanwege dit complex aan factoren is het onontkoombaar dat een deskundige (bij voorkeur een arbeidshygiënist) bij de keuze van het juiste beschermingsmateriaal betrokken wordt. Raadpleeg ook het door de leverancier verstrekte veiligheidsinformatieblad. 7.6 Samenvatting Een aantal maatregelen moet getroffen worden wanneer blijkt dat de blootstelling enig risico voor de gezondheid oplevert. Deze maatregelen zijn opgesplitst in een viertal niveaus, waarvan het eerste niveau bij de bron ligt (werken in een gesloten systeem) en het vierde niveau bij de werknemer (het toepassen van persoonlijke bescherming). Te beginnen bij het eerste niveau mag elk volgend niveau pas aangewend worden, indien blijkt dat de bovenliggende maatregel in de praktijk niet te realiseren is. Ten aanzien van de persoonlijke bescherming wordt nader ingegaan op doeltreffende ademhalingsbescherming en huidbescherming. Duidelijk wordt gemaakt dat de keuze van het juiste beschermingsmiddel van situatie tot situatie kan verschillen en dat de inbreng van een deskundige hierbij onontbeerlijk is. 8 Algemene en individuele hygiënische maatregelen 8.1 Uitgangspunten Bij werkzaamheden met kankerverwekkende en mutagene stoffen geldt, ongeacht of er blootstelling mogelijk is of niet, een aantal algemene maatregelen en uitgangspunten (Arbobesluit art. 4.19). Deze zijn als volgt. 1. Gebruik altijd zo weinig mogelijk van de kankerverwekkende of mutagene stof. Dit betekent dat voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden ingeschat moet worden hoeveel van de kankerverwekkende of mutagene stof daadwerkelijk nodig is. Leg ook geen grotere voorraad aan dan wat op korte termijn gebruikt gaat worden. https://hse.sdu.nl/content/p1-160012 22 Gegenereerd op: 12-07-2023 Let daarnaast ook op de vorm van de stof. Indien het om vaste stof gaat, verdient het gebruik van tabletten of pellets altijd de voorkeur boven poeders in verband met een extra blootstellingsrisico bij verstuiving. Bij het werken met kankerverwekkende of mutagene vloeistoffen verdient het werken in gesloten systemen sterk de voorkeur boven open opstellingen (in een aantal gevallen is dit zelfs wettelijk vereist, zie paragraaf 3.4). Door verdamping van de vloeistof bij open opstellingen ontstaat er een inademingsrisico voor de werknemers en verdwijnt er een hoeveelheid van de kankerverwekkende of mutagene stof uit de procesgang. Laat na afloop van het werk geen potten, vaten en glaswerk met restanten van de stof slingeren, maar zorg voor het tijdig schoonmaken en opruimen ervan. Het kan soms handig zijn achteraf nog eens na te gaan (aan de hand van de hoeveelheid restanten) of de werkzaamheden niet met minder stof(fen) uitgevoerd kunnen worden. 2. Beperk zoveel mogelijk het aantal werknemers en de blootstellingsduur. De werkzaamheden met kankerverwekkende en mutagene stoffen moeten zodanig georganiseerd en ingericht worden, dat het aantal betrokken werknemers zo klein mogelijk is. Dus liever twee werknemers die elk bijvoorbeeld acht uur aan het proces werken, dan vier werknemers die elk vier uur worden ingezet. Indien bij de beoordeling is gebleken dat er kans op blootstelling bestaat (paragraaf 4), dan moeten de werkzaamheden zodanig uitgevoerd worden dat deze blootstelling zo klein mogelijk is en zo kort mogelijk duurt. Dit betekent onder meer dat het aantal blootstellingsbronnen (bijvoorbeeld vaten, flessen of potten die de kankerverwekkende of mutagene stof bevatten) op de werkplek zo klein mogelijk is, en dat besmet gebroken glaswerk en morsingen direct vakkundig opgeruimd worden. Let ook op eventuele lekkende leidingen en afdichters waardoor de stof ongecontroleerd uit de procesgang kan verdwijnen. 3. Werk zorgvuldig en schoon! Zorg altijd voor een schone en overzichtelijke (dus opgeruimde) werkplek en werk met schoon materiaal. Plan alle stappen vooraf en zorg dat de benodigdheden klaar staan. Werken in een schone omgeving houdt ook in dat besmet materiaal dat niet meer gebruikt wordt in het proces, direct verzameld en van de werkplek verwijderd wordt. Zorg ervoor dat duidelijk is aangegeven dat het hier om materiaal gaat dat nog restanten kankerverwekkende of mutagene stof kan bevatten. Verricht de werkzaamheden voor zover mogelijk in opvangbakken waardoor eventuele morsingen gemakkelijker kunnen worden opgeruimd. 8.2 Voorzieningen Bij het werken met chemische stoffen in het algemeen en met kankerverwekkende en mutagene stoffen in het bijzonder moet ook een aantal hygiënische regels in acht genomen worden om de werknemer te beschermen tegen blootstelling aan de stof (Arbobesluit art. 4.20). Zo moet er een aparte eet- en drinkruimte te zijn waar werknemers zonder gevaar voor blootstelling kunnen lunchen en pauzeren. 1. Gebruik speciale werkkleding en kledingberging. Omdat besmetting door de kankerverwekkende of mutagene stof nooit geheel uit te sluiten is (bijvoorbeeld door spatten, kleine morsingen, enzovoort), moet gebruik gemaakt worden van speciale werkkleding. De werkkleding dient regelmatig, bijvoorbeeld om de twee weken, verschoond en zo nodig hersteld te worden. https://hse.sdu.nl/content/p1-160012 23 Gegenereerd op: 12-07-2023 De werkkleding moet op een speciaal daartoe aangewezen plaats aangetrokken kunnen worden. Bewaring van de werkkleding kan het beste gebeuren in een aparte kastruimte, zodat de verplichte scheiding van opgeborgen werken privékleding gerealiseerd wordt. Ook dient een aparte kleedruimte voor mannelijke en vrouwelijke werknemers aanwezig te zijn. Let op: Neem de werkkleding nooit mee naar huis! Om het gevaar van besmetting thuis te voorkomen, mag de werkkleding niet mee naar huis genomen worden. Laat de werkkleding professioneel reinigen, in het bedrijf zelf of bij een wasserij. 2. Persoonlijke beschermingsmiddelen. Persoonlijke beschermingsmiddelen als jas of overall, speciale werkhandschoenen, veiligheidsbril, gelaatsmasker en dergelijke moeten op een bekende en daartoe ingerichte plaats bewaard worden. De middelen moeten na elk gebruik gecontroleerd worden op defecten, besmetting en indien nodig vervangen worden door nieuw of schoon materiaal. Speciaal dient erop te worden gelet dat beschermende handschoenen niet zijn gescheurd of door chemicaliën zijn aangetast. Bij filtermaskers moet gecontroleerd worden of deze nog geschikt zijn voor verder gebruik. 3. Wasgelegenheid Iedere werknemer moet zich op het werk kunnen verschonen voordat deze naar huis gaat. Daartoe moet voldoende was- en doucheruimte beschikbaar zijn. Als vuistregel kan aangehouden worden dat er 1 wasgelegenheid op 5 werknemers aanwezig moet zijn. Om te kunnen douchen moet een doucheruimte met voldoende warmwatersproeiers aanwezig zijn. Zorg verder voor voldoende zeep en droge, schone handdoeken. De wasruimte moet tevens over verwarming en ventilatie van voldoende capaciteit beschikken. 4. Toiletten en urinoirs. Zorg dat de toiletten (met mogelijkheid tot handen wassen) gemakkelijk (binnendoor) bereikbaar zijn. Zorg dat deze gescheiden zijn van de werkruimte. Reinig toiletten en toiletruimte dagelijks. Zorg voor aparte toiletten voor mannelijke en vrouwelijke werknemers. 8.3 Procedures en bedrijfsregels Om voor een goede hygiëne te zorgen, wordt aangeraden om hierover bedrijfsregels af te spreken en procedures op te stellen en deze actief kenbaar te maken bij de werknemers. Het gaat er steeds om om besmetting (via directe weg of indirect) te vermijden. Voorbeelden van opgenomen bedrijfsregels kunnen zijn: • Niet eten, drinken en roken op de werkplek. • De werkplek niet verlaten zonder de handen te wassen en werkkleding achter te laten. • Persoonlijke beschermingsmiddelen niet meenemen naar rust- en eetruimten. 8.4 Samenvatting Bij het werken met chemische stoffen, dus ook bij kankerverwekkende en mutagene stoffen, gelden algemene principes die te maken hebben met ordelijk en hygiënisch werken en met het schoon houden van de werkomgeving. De uitgangspunten en voorzieningen die hierop betrekking hebben, worden in dit hoofdstuk nader ingevuld. Verder wordt https://hse.sdu.nl/content/p1-160012 24 Gegenereerd op: 12-07-2023 aangestipt dat het opstellen van eigen bedrijfsprocedures zinvol kan zijn, omdat hierin de specifieke werkomgeving en bedrijfsomstandigheden meegenomen kunnen worden 9 Aparte werkruimte voor kankerverwekkende en mutagene stoffen In artikel 4.11 lid e van het Arbobesluit is sprake van een gevarenzone. Hiermee wordt een aparte, van de overige werkzaamheden afgescheiden werkruimte bedoeld waar werkzaamheden met kankerverwekkende of mutagene stoffen worden verricht. Zo’n afgescheiden werkruimte is dus dat deel van een bedrijf of inrichting waar gevaar bestaat voor de gezondheid of veiligheid van werknemers als gevolg van (mogelijke) blootstelling aan kankerverwekkende of mutagene stoffen of aan stoffen die vrijkomen bij kankerverwekkende processen. Zulke aparte, afgescheiden werkruimten moeten dus ingesteld worden op plaatsen waar werkzaamheden worden verricht die blootstelling aan kankerverwekkende of mutagene stoffen met zich mee kan brengen. Het kan om binnen-, maar ook om buitenwerkzaamheden gaan. Een aparte werkruimte voor kankerverwekkende of mutagene stoffen is dus eigenlijk op te vatten als een blootstellingszone. Met behulp van de inventarisatie (zie paragraaf 4) en beoordeling van de blootstelling (zie paragraaf 6) is na te gaan welke werkplekken als gevarenzones aangewezen kunnen worden. 9.1 Markering en signalering van de aparte werkruimten De aparte werkruimte dient duidelijk afgebakend en gemarkeerd te worden door het duidelijk zichtbaar aanbrengen van veiligheids- of waarschuwingssignalering. Voor afbakening van deze werkruimten moet een doodshoofdsymbool als signalering gebruikt worden. Onder het symbool wordt de tekst Kankerverwekkende stoffen. Verboden voor onbevoegden geplaatst. Figuur 1 Waarschuwingsbord ter afbakening van een ruimte waar met kankerverwekkende stoffen wordt gewerkt. (Bron figuur: auteur) 9.2 Toegang tot de werkruimten Werkzaamheden met kankerverwekkende en mutagene stoffen moeten dus gescheiden zijn van alle overige werkzaamheden. De aparte werkruimten mogen uitsluitend betreden worden door die werknemers die in de gevarenzone werkzaamheden moeten verrichten; toegang is verboden voor alle overige werknemers. In de gevarenzone is het niet toegestaan te eten en te drinken. De toegang tot de gevarenzone moet regelmatig worden schoongemaakt en opgeruimd, en mag niet in werkkleding uit de gevarenzone worden betreden. 9.3 Samenvatting https://hse.sdu.nl/content/p1-160012 25 Gegenereerd op: 12-07-2023 Werkzaamheden met kankerverwekkende en mutagene stoffen moeten plaatsvinden in een aparte werkruimte die gescheiden is van de overige werkruimte(n). Uiteraard moet deze aparte werkruimte voor iedereen duidelijk herkenbaar zijn. Hoe dit kan geschieden en wie toegang tot deze ruimte hee , wordt in deze paragraaf behandeld 10 Onvoorziene toename van blootstelling: calamiteiten Calamiteiten of noodsituaties zijn gebeurtenissen die onverwacht en ongewenst gebeuren en tot een onbeheersbare situatie van blootstelling kunnen leiden. Een fatale afloop, direct of op langere termijn, voor de blootgestelde werknemer(s) is dan niet onmogelijk. 10.2 Voorkomen van calamiteiten De werkzaamheden moeten zodanig georganiseerd worden en er dienen zulke voorzieningen getroffen te zijn dat het risico van het voordoen van calamiteiten zo klein mogelijk is. Indien zich een calamiteit hee voorgedaan, dan moeten de gevolgen hiervan zo veel mogelijk beperkt worden. Daarom moet geïnventariseerd worden bij welke stappen in het werkproces zich welke calamiteiten kunnen voordoen en wat gedaan moet worden om deze calamiteiten te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het aanbrengen van goede voorzieningen, het tijdig uitvoeren van controle en noodzakelijke herstelwerkzaamheden, het opstellen van duidelijke werkprocedures en vooral: het goed instrueren van de werknemers. 10.3 Beperken van de gevolgen Een kenmerk van calamiteiten is dat ze nooit zijn uit te sluiten. Daarom dient men alert en voorbereid te zijn op een calamiteit. Bij de arbeid moeten daarom die voorzieningen getroffen zijn om de gevolgen van een calamiteit zoveel mogelijk te beperken. Hierbij kan gedacht worden aan het aanbrengen van een voor werknemers herkenbare calamiteiten-geluidssignalering, het laten evacueren van de omgeving, het voorhanden zijn van extra persoonlijke beschermingsmiddelen (bijvoorbeeld een chemicaliënpak-uitrusting, persluchtmasker, extra gas- of dampfilters), het aanwijzen van een deskundige die direct gewaarschuwd moet worden, het aanwezig zijn van eerstehulpmiddelen, enzovoort. 10.4 Werknemers inlichten Bij een calamiteit kan plotseling een aanzienlijke verhoging van het blootstellingsniveau plaatsvinden. Wanneer er bij een calamiteit een reële kans op onvoorziene toename van blootstelling bestaat, dan moeten de betrokken werknemers hierover ingelicht worden. Verder wordt de gevarenzone afgebakend en moeten de aanwezige werknemers uit deze zone worden verwijderd. Vervolgens wordt gemeten of een verhoging van het blootstellingsniveau aanwezig is. Wanneer een verhoging van het blootstellingsniveau zich voordoet, wordt de ondernemingsraad direct daarvan in kennis gesteld. Bij het ontbreken van een ondernemingsraad worden de betrokken werknemers direct ingelicht over de oorzaak, de hoogte van het gemeten blootstellingsniveau en van de maatregelen die genomen zijn om de oorzaak weg te nemen en de blootstelling te beperken. https://hse.sdu.nl/content/p1-160012 26 Gegenereerd op: 12-07-2023 Bij een calamiteit mogen alleen personen in de gevarenzone toegelaten worden die hulp- en herstelwerkzaamheden moeten verrichten. Het kan gaan om eigen werknemers, maar ook om anderen. Deze personen moeten uitgerust zijn met doeltreffende persoonlijke beschermingsmiddelen. Het verblijf in de gevarenzone van deze personen mag niet langer duren dan nodig is voor het herstel van de normale toestand. 10.5 Opstellen van procedures bij onvoorziene toename Het is verplicht om schri elijk een calamiteitenprocedure op te stellen; bij voorkeur gebeurt dit door een bedrijfshulpverlener. Deze procedure kan tevens als basis dienen voor het instrueren van betrokken werknemers (zie ook Voorlichting en instructie). Het is raadzaam om de procedure regelmatig te controleren op bekendheid en doeltreffendheid. De op te stellen procedures zijn direct afhankelijk van de aard en omvang van de werkzaamheden en kunnen daarom sterk uiteenlopen. Belangrijk is echter dat deze procedures door deskundigen met inzicht in de betreffende werksituatie zijn opgesteld, en dat de te nemen acties in prioriteitenvolgorde worden aangegeven. Zo’n procedure zou bijvoorbeeld de volgende stappen kunnen inhouden: 1. Maak binnen het gehele bedrijf direct kenbaar dat er een calamiteit is. 2. Roep een deskundige op (wie doet dit?). 3. Geef instructies hoe te beoordelen wanneer de gevarenzone onmiddellijk verlaten moet worden en wanneer acties ondernomen kunnen worden ter verlening van hulp of ter beperking van verdere schade. 4. Bepaal welke acties voorrang hebben, als verschillende directe acties ondernomen kunnen worden. 5. Geef aan van welke (extra) persoonlijke beschermingsmiddelen gebruik gemaakt moet worden en waar deze worden bewaard. 6. Bekijk wie bevoegd is om als eerste levensreddende handelingen aan blootgestelden te verrichten. 7. Bekijk wie de EHBO-kit met speciale antidotes (in voldoende mate aanwezig) beheert. 10.6 Samenvatting Bij alle werkzaamheden met chemische stoffen kan op een onverwacht moment een ongeluk gebeuren waarbij plotseling een zodanige hoeveelheid chemische stof(fen) vrijkomt, dat er een ernstig gezondheidsgevaar is of dreigt door een onvoorziene blootstelling aan deze stoffen. Zo’n situatie wordt aangeduid als een noodsituatie (of calamiteit). Deze paragraaf gee achtereenvolgens aan hoe zo’n situatie voorkomen kan worden, en wanneer zo’n situatie zich onverhoopt toch hee voorgedaan, welke stappen gezet kunnen worden om de gevolgen te beperken. Omdat een noodsituatie bijna altijd vergezeld gaat van onoverzichtelijkheid, onduidelijkheid en het uitbreken van paniek, is het goed vooraf procedures op te stellen hoe het beste in noodsituaties gehandeld kan worden. Deze paragraaf gee onder meer een aantal suggesties voor stappen die meegenomen kunnen worden bij het opstellen van dergelijke procedures. 11 Opslag en vervoer Om het morsen van, en daardoor blootstelling aan kankerverwekkende of mutagene stoffen bij opslag en vervoer te voorkomen, zijn in het Arbobesluit algemene bepalingen opgenomen voor het risicovrij opslaan en vervoeren van https://hse.sdu.nl/content/p1-160012 27 Gegenereerd op: 12-07-2023 kankerverwekkende en mutagene stoffen binnen het bedrijf of de instelling. Je bent als werkgever verplicht tot het gebruik van doeltreffende middelen voor het risicovrij opslaan, hanteren en vervoer van deze stoffen of afvalstromen die CMRstoffen bevatten. 11.1 Opslag CMR-stoffen waarvan de verpakking is geëtiketteerd met het CLP-pictogram GHS08 dienen te worden opgeslagen op een wijze zoals wordt aangegeven in Publicatie gevaarlijke Stoffen-15 (PGS-15): opslag van verpakte gevaarlijke stoffen. Let op: Bij opslag van CMR- stoffen moet erop gelet worden dat de verpakking niet kan leiden tot een ongewild vrijkomen van de inhoud. Voor de verpakking betekent dit dat gelet moet worden op aspecten als: • Is de verpakking met het CLP-pictogram en de gevaarszin geëtiketteerd? • Is de verpakking intact? Dat wil zeggen, kent deze geen breuk (bij glas) of lekplaatsen (bij vaten)? • Is de verpakking goed afgesloten? Vooral snel verdampende vloeistoffen (stoffen met een hoge dampspanning) kunnen makkelijk ongewild als damp ontsnappen via kieren of naden en kunnen zo vrij snel tot een concentratieopbouw in de lucht leiden (vooral in afgesloten ruimten die niet geventileerd worden) die een grenswaarde overstijgt. Om verder elk risico op verwisseling en eventuele reacties met andere stoffen in opslag te vermijden, wordt aangeraden om de kankerverwekkende en mutagene stoffen altijd gescheiden van alle andere stoffen op te slaan in afsluitbare kasten of ruimten en deze kasten of ruimten continu te ventileren. Afhankelijk van specifieke fysische eigenschappen van de betreffende stoffen moet er verder nog op gelet worden dat de opslag: • Koel geschiedt voor gassen, vluchtige vloeistoffen, stoffen die bij verwarming kunnen ontleden of peroxiden kunnen vormen. • Donker geschiedt voor stoffen die onder invloed van licht kunnen reageren of polymeriseren. • Van een instabiele stof (een stof die kan polymeriseren of peroxiden kan vormen tijdens opslag) alleen geschiedt indien deze gestabiliseerd is met een inhibitor die deze ongewenste reacties voorkomt. • Droog blij . 11.2 Vervoer Voorschri en voor het transport van gevaarlijke stoffen zijn opgenomen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs). Omdat deze wet alleen rekening houdt met acute gevaren van stoffen zijn CMR-stoffen op basis van deze eigenschappen NIET ingedeeld als gevaarlijk. Voor deze stoffen die geen acute gevaarseigenschappen bezitten, worden door de vervoerswetgeving dan ook geen regels voorgeschreven. Veel kankerverwekkende of mutagene stoffen bezitten echter ook andere gevaarseigenschappen. Zo is bijvoorbeeld benzeen een licht ontvlambare vloeistof (CLP-pictogram GHS02 (ontvlambare vloeistoffen), GHS08 (kankerverwekkende stoffen) en GHS07 (o.a. doelorganen). Benzeen is in de vervoerswetgeving daarentegen enkel een brandbare vloeistof https://hse.sdu.nl/content/p1-160012 28 Gegenereerd op: 12-07-2023 (klasse 3 en UN-nummer 1114). In de transportdocumenten is vervolgens meestal niet te achterhalen dat het ook om een CMR-stof gaat. 11.3 Samenvatting Niet alleen voor het werken met kankerverwekkende en mutagene stoffen zijn regels opgenomen in het Arbobesluit, ook voor opslag en vervoer kent het Besluit algemene regels. Deze regels zijn van toepassing op alle gevaarlijke stoffen en preparaten, dus ook op kankerverwekkende en mutagene stoffen en preparaten. Met betrekking tot enkel het vervoer gelden hiervoor ook de regels die zijn gesteld in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Opslag van kankerverwekkende en mutagene stoffen kan het beste gescheiden van andere stoffen gebeuren. Daarnaast gee deze paragraaf aan dat gelet moet worden op een aantal specifieke stofeigenschappen die direct op de omstandigheden van opslag terugslaan. Ook eventuele polymerisatie en peroxidevorming tijdens de opslag moeten beschouwd worden, omdat in deze gevallen toevoeging van een juiste inhibitor noodzakelijk is 12. Arbeidsgezondheidskundig onderzoek 12.1 Wel of geen onderzoek? Wanneer een aantal verdachte kankergevallen in een bedrijf of bedrijfstak of meerdere gevallen bij een grote groep blootgestelden voorkomt, dan kan epidemiologisch clusteronderzoek informatie leveren over de achtergronden. De vraag of kanker een oorzaak vindt in de werkomstandigheden is zelden makkelijk te beantwoorden. Eerst dient onderzocht te worden of er een verhoogd voorkomen is van kanker ten opzichte van de gehele bevolking. Wanneer dit het geval blijkt te zijn, dan is verder onderzoek nodig. Van de betrokken werknemer(s) moet de voorgeschiedenis van de werkomstandigheden uitvoerig nagegaan worden, waarbij met name de inhoud van het werkproces en mogelijke blootstelling(en) aan chemische stoffen nagegaan dient te worden. Ook kan het nuttig zijn om een arbeidshygiënische analyse van het werkproces, het bedrijf of de beroepsgroep te maken waarbij verouderde productiemethoden en werkprocessen niet vergeten mogen worden. Gesprekken met vroegere en oudere werknemers kunnen eveneens enig inzicht bieden. Werknemers die met kankerverwekkende of mutagene stoffen werken of hebben gewerkt, kunnen gescreend worden om te ontdekken of er ziekteverschijnselen zijn in een stadium waarbij normaliter nog geen medische hulp wordt gezocht. Een negatieve uitkomst (aantoonbare ziekteverschijnselen) kan dan een positieve invloed hebben op de behandeling en de gezondheidsverwachting op de langere termijn. De vraag in hoeverre het zinvol is om een werknemersonderzoek naar voorstadia van kanker te verrichten, is desondanks niet makkelijk te beantwoorden. Vele facetten zullen hierin meegenomen en tegen elkaar afgewogen moeten worden: medische, ethische en maatschappelijk-economische parameters. In de volgende paragrafen beschrijven we de verschillende aspecten van een arbeidsgezondheidskundig onderzoek. 12.2 Het onderzoek https://hse.sdu.nl/content/p1-160012 29 Gegenereerd op: 12-07-2023 12.2.1 Welke werknemers? Het recht op een medisch onderzoek geldt voor die werknemers waarvan uit de beoordeling van de blootstelling blijkt dat het werk een gevaar voor de gezondheid kan opleveren. Aanbevolen wordt om in overleg met een arbodeskundige en personeelsfunctionaris te inventariseren welke functies in aanmerking komen voor een medisch onderzoek. Werknemers die werkzaamheden verrichten of gaan verrichten in de aparte, voor het werken met kankerverwekkende of mutagene stoffen ingerichte werkruimte (zie paragraaf 9), komen zeker in aanmerking voor een medisch onderzoek. 12.2.2 Wanneer onderzoek? Een medisch onderzoek met betrekking tot arbeid met kankerverwekkende en mutagene stoffen is pas zinvol indien er sprake is van een gezondheidsrisico, of wanneer dit risico te verwachten is. Ook hier wordt aanbevolen om in overleg met een arbodeskundige vast te stellen wanneer een medisch onderzoek gewenst of noodzakelijk is. Dit is in ieder geval de eerste keer dat de werkzaamheden verricht worden. Betrek hierbij ook de betrokken werknemer(s). De werknemer wordt tevens ingelicht over de wijze waarop hij na beëindiging van de blootstelling in de gelegenheid gesteld zal worden een arbeidsgeneeskundig onderzoek te ondergaan. Onder beëindiging wordt hier verstaan het beëindigen van het werk met de kankerverwekkende of mutagene stoffen. Directe informatie over de mate van blootstelling kan verkregen worden door te meten of er kankerverwekkende of mutagene stof in het lichaam is opgenomen. Dit kan door het meten van de concentratie in het bloed, de urine of de uitademingslucht: biomonitoring of biologische monitoring (BM). Biologische monitoring laat zien of, en zo ja in welke mate, er kankerverwekkende of mutagene stof is opgenomen door het lichaam. Dit gegeven kan vervolgens gebruikt worden ter controle van de effectiviteit van de getroffen maatregelen om blootstelling te voorkomen. Arbeidsgeneeskundig onderzoek dient er op gericht te zijn om een ziekte vroeg op te sporen, in het zogenoemde preklinisch stadium. Ook moet men bedacht zijn op het eventueel voorkomen van kankerclusters. Dat wil zeggen dat er zich in een bedrijf of bij een bepaalde bedrijfstak meerdere ziektegevallen voordoen. Screening van een (grote) groep blootgestelden kan dan zinvol zijn. Te denken valt bijvoorbeeld aan asbestwerkers, benzeenwerkers, werkers met aromatische aminen, en PAK’s (polycyclische aromatische koolwaterstoffen). Ofschoon de voor- en nadelen van een screeningsprogramma voor vroege opsporing nog niet geheel uitgekristalliseerd zijn, is er consensus over de wetenschappelijke, ethische en maatschappelijke condities: de screening moet gericht zijn op een belangrijke ziekte en de testmethode moet acceptabel zijn voor de doelgroep. Daarnaast moet het natuurlijk verloop van de ziekte door vroegtijdige ontdekking en behandeling gunstig beïnvloed worden. 12.2.3 Aanvangsonderzoek Iedere werknemer die volgens de hiervoor beschreven omstandigheden in aanmerking komt voor een arbeidsgezondheidskundig onderzoek, wordt in de gelegenheid gesteld om dit onderzoek voorafgaand aan die werkzaamheden te ondergaan, dat wil zeggen in ieder geval voordat de werkzaamheden voor de eerste keer verricht gaan worden. 12.2.4 Vervolgonderzoek De werknemer kan op elk moment kenbaar maken een vervolgonderzoek te willen ondergaan, en moet hiertoe in de gelegenheid gesteld worden. De resultaten van dit vervolgonderzoek komen dan in de plaats van voorgaande onderzoeken. https://hse.sdu.nl/content/p1-160012 30 Gegenereerd op: 12-07-2023 12.2.5 Inhoud van het onderzoek De uitkomst van de beoordeling van de blootstelling moet maatgevend zijn voor de inhoud en frequentie van het arbeidsgezondheidskundig onderzoek. Wanneer bij een werknemer een afwijking aan de gezondheid wordt geconstateerd die met zijn werkzaamheden kan samenhangen, dan worden andere werknemers met vergelijkbare werkzaamheden tussentijds in de gelegenheid gesteld om eveneens een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te ondergaan. 12.3 Advisering en uitvoering door een arbodienst Het arbeidsgezondheidskundig onderzoek moet uitgevoerd worden door een gecertificeerde arbodienst. Deze arbodienst hee recht op inzage van de lijst van blootgestelde werknemers (zie Beoordeling van de blootstelling) en op die gegevens die de dienst in staat kan stellen om een advies te geven over de inhoud en frequentie van het periodiek medisch onderzoek, de te treffen preventieve maatregelen en de eventueel uit te reiken persoonlijke beschermingsmiddelen. Over de inhoud en frequentie van het onderzoek wordt advies ingewonnen van de betrokken (gecertificeerde) arbodienst; verder wordt overlegd met de ondernemingsraad of, indien deze niet is ingesteld, met de belanghebbende werknemers. Het onderzoek kan zowel een medisch onderzoek naar (vroegere) gezondheidseffecten inhouden, als monitoring van belastende factoren in het lichaam. Enkele praktische maatregelen betreffende het onderzoek zijn: • De arbodienst moet op de hoogte zijn van de voorwaarden en omstandigheden van de blootstelling. • Er wordt een medisch dossier aangelegd waarin het beroepsverleden van de werknemer is opgenomen. • Er wordt een persoonlijk gesprek met de werknemer gevoerd. • Indien nodig geacht, kan biologische monitoring plaatsvinden. 12.4 Het medisch dossier 12.4.1 Bijhouden en inzagerecht De arbodienst houdt ten behoeve van de registratie van de resultaten van het onderzoek een persoonlijk medisch dossier bij. Het is aan te bevelen om per werknemer de gegevens uit de lijst met blootstellingsgegevens met de medische gegevens te koppelen. De werknemer mag te allen tijde inzage hebben in zijn of haar medisch dossier. De resultaten van het onderzoek worden in statistische vorm, en dus niet tot het individu herleidbaar, aan de ondernemingsraad ter kennisneming aangeboden. 12.4.2 Bewaring en overdracht Het medisch dossier en de blootstellingsgegevens van de betrokken werknemer wordt tot veertig jaar na beëindiging van zijn werkzaamheden met kankerverwekkende of mutagene stoffen en processen waarbij kankerverwekkende stoffen vrijkomen, bewaard. Eveneens geldt deze bewaartermijn voor de totale lijst van blootgestelde werknemers. Wanneer het bedrijf van de werknemer de bedrijfsactiviteiten staakt, wordt het medisch dossier overgedragen aan de betrokken arbodienst. Deze moet vervolgens het bewuste dossier gedurende de wettelijk vastgestelde termijn bewaren. Het is raadzaam dit in het contract tussen het bedrijf en de arbodienst goed vast te leggen. Als de arbodienst het dossier niet in bewaring neemt, moet dit aan de Inspectie SZW aangeboden worden, voor zover de betrokken werknemer daartegen geen bezwaar maakt. https://hse.sdu.nl/content/p1-160012 31 Gegenereerd op: 12-07-2023 12.4.3 Wet persoonsregistratie Op het bewaren van bestanden, zowel op papier als in elektronische vorm, gelden onverkort de bepalingen van de Wet persoonsregistratie. 12.5 Melden van beroepskanker aan de Arbeidsinspectie Wanneer het vermoeden bestaat (of wanneer is aangetoond) dat de kanker die bij een of meer van de werknemers in het bedrijf is vastgesteld, een gevolg is van blootstelling aan een kankerverwekkende of mutagene stof of proces in het bedrijf waarbij een kankerverwekkende stof is vrijgekomen, wordt deze kennis terstond aan de Arbeidsinspectie gemeld. Uit onderzoeken blijkt een mogelijke relatie tussen het extra risico op het ontstaan van borstkanker en het langdurig werken in nachtdienst. Hier handelt het dus niet om een blootstelling aan een kankerverwekkende stof, maar om een verband met het verrichten van nachtwerk gedurende een langere periode (meer dan twintig jaar). Hoewel de Gezondheidsraad in een rapport uit 2006 reeds concludeerde dat er een verband is gevonden, kon echter op grond van de beschikbare gegevens niet geconcludeerd worden dat het om een oorzakelijk verband gaat. Het werkingsmechanisme dat hieraan ten grondslag zou kunnen liggen, maar zeker is dat nog allerminst, betre de verstoring die op zou treden in de melatonineproductie bij de vrouw. In december 2007 hee de IARC nachtarbeid als kankerverwekkend proces aangemerkt. 12.6 Samenvatting Wanneer het werken met kankerverwekkende en mutagene stoffen tot gezondheidsrisico’s kan leiden, is het nodig om de betreffende werknemer een arbeidsgezondheidskundig onderzoek te laten ondergaan. Dit hoofdstuk behandelt meerdere aspecten van dit onderzoek en stelt dat het aan te bevelen is om dit in samenspraak met een arbodienst te doen. Het onderzoek mag alleen door een gecertificeerde arbodienst uitgevoerd worden. Het uit dit onderzoek voortkomende medische dossier wordt door deze dienst bijgehouden en tot veertig jaar na beëindiging van de werkzaamheden van de betreffende werknemer bewaard. Bij vermoeden en bij constatering van gevallen van beroepskanker moet dit onverwijld gemeld worden aan de Arbeidsinspectie 13 Opleiding, voorlichting en instructie 13.1 Het belang Op grond van de Arbowet ben je als werkgever verplicht om jouw werknemers doeltreffend voor te lichten en te instrueren. Hoe gevaarlijker de werkzaamheden, des te meer risico’s en dus een grotere noodzaak voor goede voorlichting en instructies. Het bijbrengen van kennis en vaardigheden en het stimuleren van het arbeidsbewustzijn is een sleutel om op verantwoorde wijze met kankerverwekkende en mutagene stoffen om te gaan. In deze paragraaf gaan we nader in op welke manier je voorlichting en instructie kan geven. Uitgangspunt is dat dit zowel mondeling als schri elijk gegeven moet worden. Op deze wijze blij de informatie op het werk zelf beschikbaar, en kan deze informatie door werknemers op ieder gewenst moment weer ingezien worden. Let op: Goede voorlichting en instructie is niet alleen bestemd voor werknemers in vaste dienst; ook tijdelijke werknemers moeten hieraan meedoen. https://hse.sdu.nl/content/p1-160012 32 Gegenereerd op: 12-07-2023 13.2 Voorlichting: waarover? Wat kan effectieve voorlichting over werken met kankerverwekkende en mutagene stoffen inhouden? Het moet de werknemer wijzen op: 1. De aard van het werkproces, dat wil zeggen: wat gebeurt er precies, wat zijn de heersende omstandigheden, wat kan wel en wat mag niet gebeuren, waarop moet men bedacht zijn, hoe dient overdracht van taken te gebeuren, enzovoort. 2. De identiteit en gevaren van de kankerverwekkende stoffen en producten waarmee gewerkt wordt. 3. De mogelijke wijze(n) van blootstelling. 4. De veiligheidsmaatregelen die er getroffen zijn, en waarom ze op die manier zijn getroffen. 5. De preventiemaatregelen die in acht genomen moeten worden. 6. Welke persoonlijke beschermingsmiddelen gebruikt moeten worden en hoe deze gebruikt moeten worden en wanneer deze verwisseld of vernieuwd moeten worden. 7. De bestaande voorschri en en gebruiksaanwijzingen, en deze begrijpelijk maken. 8. Foute handelingen waardoor het in het verleden (bijna) mis ging. 9. Het bestaan en gebruik van verdere instructiemiddelen als een veiligheidskaart, een chemiekaart of werkplekinstructiekaart. 10. Het verstrekken van informatie over het vóórkomen van de naam van een werknemer op de lijst van blootgestelde werknemers en het recht op inzage in zijn of haar gegevens. 11. De mogelijkheid tot een arbeidsgezondheidskundig onderzoek, over de inhoud en de waarde daarvan. 13.3 Voorlichting: hoe? Het geven van goede voorlichting is werk voor deskundigen. Deze kunnen formuleren wat een werknemer ten minste bijgebracht moet zijn voordat deze aan het werkproces deel kan nemen, en deze zijn op de hoogte van verschillende manieren om de bijgebrachte kennis te toetsen. Het verdient daarom de voorkeur om de voorlichting in handen te geven van professionals. Deze kunnen binnen het bedrijf gerekruteerd worden, maar ook kan hiervoor een zogenoemde in-company-cursus georganiseerd worden door een extern deskundig bureau dat zich eerst goed op de hoogte hee gesteld van het bedrijf en van de specifieke werkzaamheden die hier worden verricht. Indien een ‘in-company’-voorlichting niet lonend is, bijvoorbeeld omdat het slechts om een klein aantal werknemers gaat, is er de mogelijkheid om een cursus buiten het bedrijf te laten volgen. Nadeel hiervan is dat deze cursussen vaak algemene aspecten behandelen en niet op de specifieke werksituatie in (kunnen) gaan die juist voor de betrokken werknemer zo belangrijk is. 13.4 Voorlichting: met welke middelen? Om te zorgen dat de voorlichting effectief is, wordt aanbevolen om hiervoor verschillende, elkaar aanvullende voorlichtingsmethoden te gebruiken. Dus om naast schri elijk materiaal ook gebruik te maken van beeldmateriaal zoals film, video en dia’s. Ook op onderdelen kan hier goed gebruik van gemaakt worden. Zo is bijvoorbeeld veel beeldmateriaal https://hse.sdu.nl/content/p1-160012 33 Gegenereerd op: 12-07-2023 verkrijgbaar over het juiste gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen, maar ook over het ontstaan van ongelukken bij het werken met gevaarlijke stoffen. 13.5 Instructies Het geven van instructies ligt in het verlengde van het geven van voorlichting. Het kan gezien worden als een vertaalslag naar de praktijk van de voorlichting: de voorschri en die aangeven hoe gehandeld moet worden in het specifieke werkproces. Onder instructie verstaan we in dit verband: 1. Het aangeven hoe er ordelijk en hygiënisch gewerkt kan worden. Voorbeelden: niet meer van de kankerverwekkende stof gebruiken dat nodig is, restanten direct opruimen, schoonhouden van de werkplek, gebruikte potten en vaten direct opruimen, geen eten meenemen naar de werkplek, enzovoort. 2. Het aangeven hoe de werkzaamheden veilig verricht kunnen worden Hierbij kan het gaan om instructies om het arbeidsproces naar wens te laten verlopen (bijvoorbeeld het strikt gescheiden houden van stoffen die exotherm met elkaar kunnen reageren), aangeven hoe gehandeld moet worden indien er iets mis dreigt te gaan (niet zelf aanmodderen maar direct deskundige hulp inroepen). Erg belangrijk bij dit onderdeel is het instrueren in het gebruik van de juiste persoonlijke beschermingsmiddelen. Laat hierbij deze middelen zien, toon de werking ervan aan, geef het in handen van werknemers die ermee te maken (kunnen) krijgen en laat ze ermee oefenen. 3. Het bewust maken en kunnen inschatten van risico’s van stoffen waarmee gewerkt wordt. Een leverancier van gevaarlijke stoffen is verplicht om informatie over de gevaren van zijn product mee te leveren. Het gaat hier om het afleveringsetiket met symbolen, gevaars- en veiligheidszinnen op de verpakking, en een uitgebreid veiligheidsinformatieblad. Verantwoordelijke werkgevers stellen daarnaast vaak chemiekaarten of werkplekinstructiekaarten van hun producten op. Het lezen en begrijpen van dit voorlichtingsmateriaal is, zeker voor werknemers die hier weinig ervaring mee hebben, niet eenvoudig. Een goede instructie houdt in dat werknemers niet enkel kennis hebben van de gevaren van de stof en de risico’s die deze met zich meebrengen, maar ook weten welke handelingen verricht of juist nagelaten moeten worden om ongelukken te voorkomen. Voorbeelden zijn onder andere: • Het bijbrengen van het inzicht dat stoffen met een laag vlampunt nooit in de nabijheid van open vlammen gebruikt mogen worden of in contact met hete oppervlakken (ook leidingen en dergelijke) mogen komen. • Het roeren, verpompen, filtreren en overschenken van gemakkelijk statisch oplaadbare vloeistoffen (stoffen met een soortelijke elektrische geleiding kleiner dan 10.000 pS/m) kan tot vonkvorming leiden, wat de oorzaak van een beginnende brand kan zijn. Het aanbrengen van een goede doorverbinding en aarding van geleidende delen kan dan veel onheil voorkomen. • Bij het werken met poeders en nevels moet het de werknemer duidelijk zijn dat er hierdoor een extra risico ontstaat van blootstelling via inademing, en dat maatregelen hiertegen vooraf getroffen moeten worden. • Vloeistoffen met een grote dampspanning verdampen gemakkelijk waardoor snel een voor de gezondheid gevaarlijke concentratie in de lucht kan ontstaan. In veel gevallen is dit gevaar niet door geurwaarneming vast te stellen. De verdamping zal verhinderd moeten worden door het werken in gesloten systemen. https://hse.sdu.nl/content/p1-160012 34 Gegenereerd op: 12-07-2023 4. Het aangeven hoe gehandeld moet worden bij (dreiging van) calamiteiten. Om doelmatig te kunnen optreden wanneer er onverhoopt iets misgaat, moet aan de betrokken werknemer vooraf bekend zijn gemaakt hoe noodsituaties herkend kunnen worden (zie paragraaf 10) en vervolgens welke stappen achtereenvolgens genomen moeten worden om de gevolgen te beperken (zie paragraaf 10.5). Naast de bekende oefening van werkplekontruiming bij brandalarm, kun je hierbij denken aan het regelmatig testen van een calamiteitensignalering, aan het controleren of benodigde middelen aanwezig zijn (bijvoorbeeld extra persoonlijke beschermingsmiddelen als gasmaskers, ademfilters, gelaatskappen, persluchtmaskers, chemicaliënof gaspakken), de beschikbaarheid van een eerstehulpkoffer met onder andere voldoende antidotes, nagaan of nooduitgangen vrij bereikbaar zijn, enzovoort. Het geven, het tijdig herhalen en het oefenen met deze instructies kan voorkomen dat in noodsituaties – die op zichzelf vrijwel altijd tot onoverzichtelijkheid, verwarring en paniek kunnen leiden – verkeerde stappen gezet worden waardoor grotere schade wordt aangericht dan strikt nodig was. 13.6 Samenvatting Het werken met kankerverwekkende en mutagene stoffen mag alleen gebeuren door werknemers die zijn voorgelicht over de gevaren en risico’s van hun werk en die geïnstrueerd zijn over hoe het werk uitgevoerd moet worden. Deze paragraaf belicht welke punten bij voorlichting en instructie aan de orde moeten komen, op welke wijze dit kan gebeuren en wat de middelen zijn om dit over te brengen Beschrijving van de wijzigingen Dit onderwerp is 16 november 2022 geactualiseerd. Ten opzichte van de vorige versie van 27 augustus 2019 zijn de volgende wijzigingen aangebracht: 1. De inleiding (practice note) en de hieraan gekoppelde verdiepingen zijn samengevoegd tot één webpagina: Kankerverwekkende, mutagene en reprotoxische stoffen en processen. 2. De inhoud is in lijn gebracht met de indeling van Werken met kankerverwekkende stoffen en processen en mutagene stoffen (AI-06), vijfde herziene druk, 2011, auteur Jos Zawierko. 3. Inspectie SZW is vervangen door Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA). https://hse.sdu.nl/content/p1-160012 35